N.E.C. Nijmegen

1900: Eenvoudige jongens uit de Benedenstad.

De vroegste geschiedenis van NEC klinkt als die van een spannend jongensboek want zij groeide van een volksclubje zonder vast speelterrein naar een vooraanstaande landelijke vereniging. Het waren daadkrachtige tieners uit de arbeidersklasse t.w. Guus Lodestijn, Anton Kuijpers en Wouter van Lent afkomstig uit de oude Nijmeegse benedenstad. De ligging aan de rivier met zijn schepen en het veer bracht de benedenstad door de eeuwen heen grote voorspoed. De huizen waren er veelal groot en rijk. Na de afbraak van de vestingwerken in de jaren 80 van de 19e eeuw trokken de rijke families weg en werd de benedenstad een volksbuurt. Het verval zette zich in en de omgeving verpauperde. De vele verkrotte, onbewoonbaar verklaarde woningen werden hier en daar gesloopt, waardoor er open plekken ontstonden in de straten. Velen hadden geen sanitair en de smalle steegjes waren ongezond om in te wonen.  

Met een kennelijk positieve inborst waren het die arbeiders zonen die, tegen de stroom in, een club zouden oprichten. Voetbal was rond de eeuwwisseling vooral populair bij de zo genoemde elitaire, hoge heren. Dat weerhield de tieners niet om dag in, dag te voetballen op de Waalkade of op de Grote Markt. Uiteindelijk namen de drie jongens op 15 november 1900 het unieke besluit dat voor de nodige verbazing zorgde: Zij, afkomstig uit die benedenstad, gingen een voetbalclub oprichten. Geïnspireerd door een spreuk op de poort van de Grote Markt , ‘Eendracht maakt macht’, ontstond de clubnaam ‘Eendracht’. De contributie die bij lidmaatschap betaald moest worden bedroeg 2 cent per week, waarvan om de zoveel tijd een nieuwe bal gekocht kon worden.

In 1903 werd Eendracht kampioen van de Nijmeegse Voetbalbond, en enkele jaren later ook van de Geldersche Voetbalbond. Terwijl Eendracht na een aantal promoties haar wedstrijden in de Tweede Klasse afwerkte deed zich bij de elitaire voetbalvereniging van Nijmegen, Quick, ook een ontwikkeling voor. Een aantal spelers van de club voelden zich niet thuis in de wereld van de hoge heren en begon een eigen voetbalvereniging: NVV Nijmegen.

In april van het jaar 1910 fuseerden Eendracht en NVV Nijmegen, onder de naamgeving Nijmegen Eendracht Combinatie. Uit het NEC jubileumboek 1900-1950: ´Het zijn mannen, eenvoudig van afkomst, eerzaam in het ambacht, arm aan goed en geld, maar edel van inborst, energiek van ondernemingszin, en daadkrachtig in doorzetten. Edelmoedig in offervaardigheid, en lankmoedig in de liefde voor hun zaak, Dat waren de oprichters van Eendracht. Aan voetbalkwaliteiten had NEC geen gebrek, aan financiën des te meer. De club had nu eenmaal geen welgestelde achterban en hoorde noch bij het protestants-liberale, noch bij het katholieke deel van Nijmegen. In kringen die de club niet goedgezind waren, zoals op het stadhuis, werd NEC geringschattend als een socialistische of zelfs communistische vereniging afgeschilderd.   

Seizoen 1920/1921. Staande: P. Aalders, H. Klaassen, H. van Kutzum. L. Schouten, G. van Kouwen, W. Benders, A. Schoester en Alfred Lodenstijn. Zittend: H. Meijers, H. Denerik, K. Sewalt en B. Nas.

Met ingang van de jaren twintig werd de aankoop van een eigen terrein aan de Hazenkampseweg het belangrijkste agendapunt. Zeker voor een club uit de arbeidersklasse was dit een pittige klus en vanaf het seizoen 1923/1924 mocht N.E.C. zich de eigenaar noemen van het sportveld. Echter bleef het publiek ondanks deze positieve ontwikkelingen slechts in kleine getalen op komen dagen, waren de financiën nog altijd niet op orde en was er onenigheid binnen de club.

1928: Kampioen met de maximale score.

1934. Bron: www.hansvossenberg.nl

In het seizoen 1927/1928 leken deze problemen even naar de achtergrond te verdwijnen, want N.E.C. werd kampioen door al haar achttien wedstrijden te winnen en hierin maar liefst 82 maal het net te vinden. De aandacht en de lovende woorden van de pers waren voor N.E.C. een warm bad, want nog nooit was de club zo interessant bevonden. Het kampioenschap van N.E.C. betekende echter niet direct promotie naar de 1e Klasse. Destijds moest een promotiewedstrijd beslissen wie er de stap naar een hoger niveau mocht gaan maken en in dit duel trok Tubantia aan het langste eind. Een seizoen later deed zich eenzelfde soort scenario voor, alleen was PEC nu de gelukkige. Promotiewedstrijden en N.E.C. waren vooralsnog geen gelukkige combinatie, waardoor de club actief bleef in de 2e Klasse.

1934. N.E.C. Nijmegen kampioen van de 2e klasse B. Staande P. Michielsen, J. van Lie, doelman G. de Lang, N. Hoeboer, Casteleyn en P. ten Velde. Knielend A. Schoester, B. van der Sloot, C. Cuyten, Th. Verheyen en C. Mast 

1936: Eindelijk 1e klasse

Wanneer N.E.C. in 1933/1934 opnieuw het kampioenschap in de 2e klasse behaalt maar wederom niet in staat blijkt om de promotiewedstrijden te overleven, begint de uitspraak ‘Nooit Eerste Classer’ toch wel akelig veel weg te krijgen van de werkelijkheid. We schrijven 1935/1936 wanneer N.E.C. van deze spottende benaming af weet te raken. Na een serie spannende promotiewedstrijden volgde de beslissingswedstrijd in en tegen Borne. N.E.C. zegevierde met 0-2 en mocht zich op 28 juni 1936 voor het eerst in haar bestaan, en na vele gestrande pogingen, Eersteklasser noemen.

De derde periode in 1e Klasse, seizoen 1938/1939 , werd het tijdperk van de omgekeerde wereld: N.E.C. werd kampioen op zondag 2 april met een 2-0 overwinning pakt zij de titel in de 1e klasse Oost. Nu mochten de rood-groen-zwarten zich mengen in de strijd om de landstitel. Hierin kroonde Ajax zich tot landskampioen, maar N.E.C. boekte een enorm succes door, in deze nacompetitie als nummer drie van Nederland te eindigen.

Opening het Goffertstadion 1939

Het stadion ligt in het Goffertpark in de Goffert wijk. Zowel het park als het stadion wordt De Goffert genoemd. Het stadion zou gebruikt worden voor verschillende wedstrijden, zoals motorcross, honkbal, schaatsen, windhonden, handballen, atletiek, gymnastiek, rugby, speedway, baanwielrennen en paardensport. Het oorspronkelijke stadion werd op 8 juli 1939 geopend door prins Bernhard. De ontwerper was D. Monshouwer en het stadion werd in de jaren 30 tijdens de verplichte werkverschaffing door duizenden werkloze Nijmegenaren uitgegraven waarbij 80.000 kubieke meter grond verplaatst werd. Dit gaf het stadion de bijnaam ‘De Bloedkuul’, vanwege de moeite in bloed, zweet en tranen die het handmatig uitgraven en bouwen kostte. Ter herinnering hieraan is aan de achterzijde van het stadion een enorme spade met inscriptie te vinden. Op het moment van oplevering was het stadion qua capaciteit het derde stadion van Nederland na het Olympisch Stadion en Stadion De Kuip. Zowel N.E.C. als Quick 1888 kwamen in aanmerking om bespeler van het stadion te worden. Beide clubs weigerden omdat ze dan huur moesten betalen en al een accommodatie op de Hazenkamp hadden.

Voetbal tijdens de 2e wereldoorlog.

Vanaf het moment dat Nederland bezet werd door de Duitsers veranderde er voor de sport en voetbal in het bijzonder het een en ander. Vooral het besluit om Joden te weren uit de stadions en van de sportvelden heeft veel invloed gehad op de sportwereld. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog werd er in Nederland ‘gewoon’ gevoetbald. Onder druk van de bezetter moest de KNVB de organisatie van het totale voetbal op zich nemen, dus ook van alle onderbonden.

7 maart 1941. De N.E.C.-tribune aan de Hazenkampseweg is goed gevuld.

Hoe vreemd wellicht ook maar de sportparken werden druk bezocht. Men zegt dat sport en dus ook voetbal een uitlaatklep was voor de mensen. Het was een ontsnapping aan de dagelijkse beperkingen en onzekerheid. De sportbeoefening weerspiegeld het gedrag tijdens de bezetting. De mensen probeerden zo normaal mogelijk door te gaan met wat ze altijd al deden en veranderden zo min mogelijk.

De opzet van de competitie werd grotendeels onberoerd gelaten. Problematisch was wel dat er veel spelers wegvielen bij hun clubs, omdat zij vanaf augustus 1939 bijvoorbeeld de wapens moesten oppakken of tijdens de bezetting in Duitsland moesten gaan werken. In april 1941 werd voor het eerst een decreet ingevoerd dat voor Joden een verbod voor wedstrijden bevatte. Dit betekende dat Joden zowel als spelers of als toeschouwers niet meer werden toegelaten tot wedstrijden. Ook Leo Horn, destijds een veelbelovend scheidsrechter, werd verboden nog langer de fluit te hanteren.

Olympisch Stadion 1935 Holland-Duitschland. De fascistengroet werd reeds ver voor de oorlog gebracht.

Al in 1934 hadden enkele Amsterdamse voetbalclubs tevergeefs geprobeerd de KNVB over te halen de banden met Hitler Duitsland te verbreken. Toen op 15 september 1941 het beoefenen van sport voor Joden onmogelijk was geworden beëindigden veel Joden na die datum hun lidmaatschap. Op last van de bezetter royeren vrijwel alle Nederlandse voetbalclubs hun Joodse leden. De bond berustte in de nieuwe maatregelen en gaf aan geen andere opties te kunnen overwegen.

Het bombardement op Nijmegen (1944) | Historiek
Het bombardement in 1944 op Nijmegen werd uitgevoerd door Amerikaanse vliegers die ten onrechte dachten boven de Duitse stad Kleef (Kleve) te zitten. Bijna 800 mensen werden gedood, plus nog een onbekend aantal onderduikers.
Klein gebreid verzet.

Uiteindelijk was competitievoetbal in de loop van september 1944 niet meer mogelijk, omdat de bevrijding steeds dichterbij leek te komen en de bezetter steeds onvoorspelbaarder werd. Omdat ze had aangekondigd op iedere samenscholing van meer dan vijf mensen te zullen schieten werd het onmogelijk om nog op een normale manier aan sporten toe te komen. Het is bekend dat de nazi’s in geen enkel ander land zo succesvol waren in het proces van isolatie van de Joden als in Nederland.

N.E.C. kon op de Hazenkamp al 12.000 toeschouwers plaats bieden. Op 29 maart 1942 speelden N.E.C. en Quick hun eerste wedstrijd in het stadion tegen elkaar waarop 15.000 toeschouwers afkwamen maar nog weigerden de clubs een verhuizing. In 1944 moest N.E.C. de oude locatie verlaten door oorlogsschade, en omdat het terrein een geallieerd legerkamp was geworden. Tijdens de oorlog had het speelveld van N.E.C. aan de Hazenkampseweg gediend als kampement, waardoor er van het terrein weinig meer over was. Daar kwam nog bovenop dat de gemeente wilde starten met woningbouw op het inmiddels voormalige speelveld van N.E.C.

Onlosmakelijk verbonden met de Goffert en NEC is de Stadionklok een relikwie uit het oude stadion Hazenkamppoort.

In het seizoen 1945/1946 werd N.E.C. de vaste bespeler van Goffert en kampioen in haar 1e klasse Oost evenals een jaar later. In de nacompetitie om de landstitel moest de eer aan anderen worden gelaten. Op 6 mei 1945, één dag nadat heel Nederland officieel bevrijd was, speelden N.E.C. en Quick 1888 opnieuw een wedstrijd tegen elkaar. Beide Nijmeegse clubs hadden tijdens de oorlog te kampen gehad met diverse moeilijkheden en traden op die bewuste dag voor het eerst tegen elkaar aan in een bevrijd Nederland.

De clubs kwamen uit in een noodcompetitie die alleen clubs uit Nijmegen bevatte, omdat het organiseren van een regionale competitie door de oorlogsomstandigheden onmogelijk was. Quick won de wedstrijd met 7-3, maar dat was van minder belang. De entreegelden van de wedstrijd werden ingezet om clubs die door oorlogsomstandigheden in financieel zwaar weer waren te helpen. Het publiek zag voor het eerst sinds vijf jaar weer een derby tussen de twee grote Nijmeegse clubs in een vrij Nederland.

NEC kampioenselftal seizoen 1945/1946: Staand. W. Reijnen, J. Lodenstijn, P. Krebbers, J. Burgers, H. Disveld, H. Wiskamp en trainer B. van de Sloot. Zittend. R. v Spierenburg, J. v Hemert, E. Schepers, C. Cuijten en W. Lakenberg.

Vanaf het seizoen 1945 speelt NEC in De Goffert, toentertijd in grootte het derde stadion van Nederland, na het Olympisch Stadion te Amsterdam en De Kuip in Rotterdam. Grote namen zo vlak na de oorlog waren Van Spierenburg en Lakenberg.  Zij werden uitgenodigd voor de Oranjeselectie die een oefenpotje speelde tegen het Zweedse Malmö.

Clubicoon Wim Lakenberg: De eerste N.E.C speler in Oranje.

Wim Lakenberg in een Blauw-Wit shirt 1949.

Wilhelmus Albertus Theodorus Lakenberg is geboren in Sneek en verhuisde op achtjarige leeftijd naar Nijmegen. Daar werd hij lid van N.E.C. en debuteerde hij in het seizoen 1936/1937 op vijftienjarige leeftijd in het eerste elftal. Wim is een technische en veel scorende spits. Tot halverwege de jaren 30 heeft de Nijmeegse volksclub weinig gepresteerd. Lakenberg wordt gezien als het symbool van de opmars van de club. In 1936 promoveert NEC eindelijk naar de 1e klasse. Met NEC wordt hij in 1939, 1946 en 1947 kampioen van de 1e klasse Oost. Wim behoorde tot de beste spitsen van Nederland. Hij wordt uitgenodigd voor verschillende nationale jeugdelftallen. Wim voldeed zo goed in de voorbereiding, dat hij geselecteerd werd voor het Nederlands elftal voor de wedstrijd tegen België. Hij was de eerste speler van NEC die een uitnodiging kreeg voor het Nederlands elftal. Naast enkele wedstrijden als reserve, stond hij in de wedstrijd tegen België in de basis, die met 2-1 gewonnen werd. 

Wim maakte zijn debuut in deze wedstrijd op de voor hem onwennige rechtsbuitenplaats. Het enthousiasme en de goede wil waren zeker aanwezig, maar de ideale rechtsbuiten was hij niet. Hij had het spel van Faas Wilkes niet door, hoewel die hem ook niet veel in het spel betrok. Maar als rasechte spits kon hij de lust om naar het middenveld af te zakken niet bedwingen, zodat hij vaak niet op de vleugel te vinden was, maar toch de assist gaf voor een doelpunt.

Nederlands elftal 7 april 1947. Staand: Gerrie Stroker, Piet Kraak, Hennie Mohring, Jeu van Bun, Arie de Vroet en Henk van der Linden. Knielend : Wim Lakenberg, Faas Wilkes, Wim Roosen, Kees Rijvers en Ko Bergman. 

In 1948 is Blauw-Wit er als de kippen bij om de 27-jarige speler in te lijven. Hij krijgt van de Amsterdamse club een baan aangeboden bij het technisch laboratorium van de KLM. Bij Blauw Wit speelt hij zich opnieuw in de kijker bij de Keuzecommissie van Oranje. In 1950 zit hij drie achtereenvolgende uitwedstrijden op de reservebank. Op 16 april 1950 werd er tegen België (2-0 verloren), op 8 juni 1950 tegen Zweden (4-1 verloren) en op 11 juni 1950 tegen Finland (4-1 verloren).

Bij het debuut voor het Oranje ontving kersverse international Wim Lakenberg een KNVB speldje ook wel ‘het Haasje’ genoemd.

Na de overgang naar Blauw-Wit in 1948 werd hij ook met de Amsterdammers kampioen. Wim maakte in 1950 als tweede Nederlander, na Faas Wilkes, de overstap naar het betaaldvoetbal van Pro Patria Calcio in Italië.  De club is kapitaalkrachtig door een paar rijke fabrikanten en kan daardoor het voor die tijd enorme bedrag aan handen (50.000 gulden) betalen. Hij krijgt een maandsalaris van 450 gulden, exclusief premies. Pro Patria draait een uitstekend seizoen en eindigt op een keurige tiende plaats. Wim droeg tijdens het spelen altijd een rozenkrans bij zich als talisman. Toen het Vaticaan lucht kreeg van zijn gewoonte, werd hij door het uitgenodigd op audiëntie bij Paus Pius XII die persoonlijk zijn rozenkrans heeft ingewijd. De eigenaar van Pro Patria raakt echter in financiële problemen. Lakenberg wordt daarom in 1951 uitgeleend aan de zustervereniging FC Lugano in Zwitserland. 

Daar lijkt hij een prachtig toekomst te hebben. De club doet hem een voorstel om voor drie seizoenen bij te tekenen. Daarna kan hij trainer worden. De FIFA-reglementen verbieden de Zwitserse clubs om meer dan twee buitenlandse spelers in dienst te nemen. Hierdoor komt ook aan dit avontuur een vroegtijdig einde. In 1952, als hij 32 jaar is, keert hij terug naar Nederland en vraagt bij de KNVB toestemming om als amateur te mogen spelen. Maar de KNVB schorst hem voor tweeëneenhalf jaar, omdat hij voor een profclub heeft gespeeld en reclame heeft gemaakt voor horloges van Pontiac en zakdoeken.

25 juli 1945: Inzamelingsactie van de Haarlemse burgers voor Nijmegen/Venray.
1947. Bron: hansvossenberg.nl

Na de bevrijding werd op het RCH Heemstede terrein de wedstrijd Nijmegen – Haarlem gespeeld. Deze match was in het kader van de actie Haarlem voor Nijmegen. Beelden van een wedstrijd tussen Nijmegen en Haarlem met Wim Lakenberg. In de opstelling staat Lakenberg 5de van links. In 1954 na zijn schorsing ging hij voor DIO ’30 uit Druten spelen. Medio 1958 keerde hij terug bij N.E.C. waar hij in 1960 zijn loopbaan beëindigde. Op 19 mei 1991 kwam Wim Lakenberg in Nijmegen te overlijden.

Dankzij de sportieve successen bracht het nieuwe stadion met zijn grote capaciteit aanvankelijk louter voordelen (grote bezoekersaantallen en dus hoge recettes), maar toen het met NEC in de jaren vijftig bergafwaarts ging en de club minder toeschouwers trok, bleek ook hoe kil en sfeerloos De Goffert kon zijn.  

seizoen 1951/1952.

Invoering professionele voetbalcompetitie

1950: R. v. Spierenburg.
1956: Henk Roos.

De introductie van het betaaldvoetbal in Nederland in 1954 door de zogenaamde ‘wilde’ bond, de NBVB, zorgde voor een revolutie in het voetbal in Nederland. De aantrekkingskracht die clubs in deze bond hadden op zowel spelers als bezoekers, leidde er toe dat ook de KNVB overstag ging. Door de slechte staat van het Nederlands voetbal, zowel bij clubs als het Nederlands Elftal was de bond al jaren verdeeld tussen voorstanders van betaald voetbal en de puriteinen die het amateurisme propageerden.

Bondsvoorzitter Hans Hopster van de KNVB (links) en Egidius Joosten van de NBVB toosten op de fusie tussen beide bonden.

Na weken onderhandelen werden de lopende competities bij beide bonden afgebroken en konden de hoog spelende amateurclubs die wel heil zagen in een profavontuur en een aantal clubs uit de NBVB eind november 1954 instromen. De eerste negen op de ranglijst zouden doorstromen naar twee landelijke nieuwe hoofdklassen voor het seizoen 1955/1956.

1954/1955. Staand: Trainer Bijl, Alberts, Hendriks, Roos, Gidding, Willemse, De Winther, Meyers, Wiskamp en een reserve. Zittend: Roes, Jansen en Cuyten.
1955. Bron: Hansvossenberg

Deze twee seizoenen werd het kampioenschap, net als voorheen, nog beslist door middel van een kampioenscompetitie. In 1955 werd daaraan deelgenomen door de winnaars van de vier eerste klassen. In 1956 was het eindelijk zover en werd het systeem verder gewijzigd met de invoering van één hoogste landelijke divisie: de Eredivisie. Hierin waren de hoogst geëindigde negen clubs van beide hoofdklassen uit het seizoen ervoor vertegenwoordigd, waarin zij voor het eerst direct met elkaar om het landskampioenschap zouden strijden. Sindsdien geldt de Eredivisie als de hoogste Nederlandse voetbaldivisie. Ten tijde van de invoering van het betaald voetbal in Nederland (1954) verkeerde NEC sportief en financieel in een dal. Jarenlang nog zou de club in de onderste regionen van het betaald voetbal vertoeven. Mede dankzij financiële steun van de gemeente kroop NEC in de jaren zestig weer omhoog.

Clubicoon Tiny van Reeken: Elegante aanvaller.

Martines Willem (Tiny) van Reeken is geboren in de Bloemenstraat in het hart van Nijmegen op 21 september 1938. Tiny leerde zoals zovelen het voetbal op straat in de binnenstad. Hij zat bij de broeders op school aan de Stieltjesstraat en speelde als 3e klasse leerling al in het schoolteam tezamen met schoolgenoten die drie jaar ouder waren. Van Reeken begon bij de plaatselijke SCH en was zeventien toen hij debuteerde in het 1e elftal. In 1957 maakte hij de overstap naar N.E.C. en bleef de club twaalf jaar trouw. Daar ontwikkelde hij zich tot een veel scorende buitenspeler en maakte zeer belangrijke doelpunten voor de club.

Op 31 mei 1962 was Tiny in de beslissingswedstrijd in de 2e divisie tegen  Oldenzaal  verantwoordelijk voor de enige treffer waardoor N.E.C. niet voor teruggang naar het amateurvoetbal of een gedwongen fusie hoefde te vrezen. Op 30 april 1967 was hij ook verantwoordelijk voor beide doelpunten in de met 2-1 gewonnen thuiswedstrijd tegen RCH waardoor N.E.C. voor het eerst naar de Eredivisie promoveerde.

Adelaarshorst te Deventer. 7 april 1958. Go Ahaed Eagles – NEC ( 4-2 ) . 2e divisie B.  Achterste rij: Carel Roes, Theo Orth, Leo Kuhnen, Tini van Reeken, Henk Roos, Teun Willemse, Rein Bosch en Moises Bicentini. Voorste rij: Gerrie Janssen, Theo Jansen en Pedro Koolman.
Tini van Reeken - Wikipedia
1963: Tini van Reeken in duel met Ab Fafié en John Spinhoven van Xerxes.

De toenmalige bondscoach George Kessler was gecharmeerd van de elegante goalgetter en nodigde hem uit voor een aantal proeftrainingen. Hij speelde tot 1969 in Nijmegen en zou in 307 officiële wedstrijden in totaal 107 doelpunten maken en staat na Frans Janssen, op een tweede plaats staat op de clubtopscorerslijst aller tijden. Na anderhalf jaar voor HVC gespeeld te hebben ging hij in 1971 terug naar de amateurs waar hij bij Voorwaarts het zaalvoetbal ontdekte. Tiny was volgens insiders de meest elegante voetballer die NEC ooit heeft voortgebracht. Hij was geniaal en zowel rechts als linkbenig. mede daardoor passeerde en scoorde hij makkelijk. Maar hij kon ook eigenwijs zijn als iets hem niet zinde. Van Reeken was naast het voetbal verwarmingsmonteur en had later een handel in stoffen. In 1968 werd in de Goffert, het hoogste aantal van 32.000 bezoekers bij de wedstrijd N.E.C. – Ajax  bereikt.

De naam N.E.C. veiliggesteld.

Suikerzakje

Al in november 1964 had de KNVB besloten dat de betaald-voetbal en amateurtak van de clubs volledig zelfstandig zouden moeten functioneren. Dit zorgde voor onrust. Kon de naam Sportclub NEC wel behouden blijven voor de prof-tak door middel van een nieuw op te richten stichting? Al snel werd duidelijk dat het bestuur dat nooit zou goedkeuren, want dan zouden de amateurs naamloos achter blijven en misschien wel verdwijnen. Voorzitter Verbeek kwam met het plan om de naam te behouden voor beide takken, die ieder ook weer een compleet eigen bestuur zouden krijgen. Door deze constructie voldeed NEC aan de nieuwe eisen van de KNVB. 

1963. Staand: Bennie Werts, Willy de Hond, Cor Smit, Paul Merkx, Henk Koning, Tiny van Reeken en trainer Jan Remmers. Gehurkt: Pim van der Meent, Pauke Meyers, Cor Smulders, Theo van Doorneveld en Ben Zweers.

Ondanks de onrustige bestuurlijke tijd was de prestatie curve van de NEC selectie bemoedigend. In 1963/1964 promoveerde de club naar de 1e divisie om in 1966/1967 opnieuw te promoveren nu naar de eredivisie. De goede lijn die N.E.C. in de Eredivisie had ingezet wist de ploeg nog een aantal jaren door te trekken.

1972: KNVB bekerfinale N.E.C. – NAC

1970. Staand: Theo De Jong, Eggenkamp, Schellekens, Krijgh, Dekker, Kamps, Schriever, De Bree, Vleeming en Bönnen. Zittend: Hazelhekke, Kornelis, Pijs, Mellard, Cas Janssens, Davidovic, Thijssen, Jo Peters, Oosterveld, Jendrossek en Cees Joosten masseur.

De club speelt Rood/groen/zwart geblokt shirt, zwarte broek, zwarte kousen. NEC heeft in de loop der jaren veel verschillende tenues gehad, veelal met rood, groen en zwart als hoofdkleuren, maar ook regelmatig overwegend wit. Begin jaren 70e ging N.E.C. ook goed presteren in het bekertoernooi. Nadat achtereenvolgens Go Ahead Eagles, SVV, Feyenoord en AZ ’67 werden uitgeschakeld bereikte N.E.C. in 1973 voor de eerste keer de bekerfinale, waarin NAC de tegenstander was. Ondanks dat N.E.C. als favoriet werd beschouwd zegevierden de Bredanaren met 1-0. Maar ongetwijfeld zullen de supporters, huiswaarts kerend, het clublied van NEC hebben gezongen.