RBC Roosendaal

Het Brabantse Roosendaal is begin 1900, mede door de internationale spoorverbinding, een bruisende industriestad. Een keur aan bedrijvigheid is er te vinden zoals de Koninklijke Stijfselfabriek v/h F. Heumann & Co, vijf tabaksfabrieken waaronder de KAVEEWEE en de Gilse Kandijfabriek. Zij gaven werk aan velen.

De 1e wereldoorlog is achter de rug. Nederland was neutraal maar vooral de grensprovincies hebben te maken gehad met een dramatische toeloop van duizenden families uit België op de vlucht voor de Duitse bezetter. Op een bevolking van 18.000 Roosendaal inwoners zorgden 60.000 vluchtelingen voor een enorme chaos. Deze ontheemden konden na 1908 weer terug naar hun vaderland. De crisis was voorbij en de rust in de regio kwam weer terug. In het begin van deze eeuw kwam Nederland en de Roosendaaljeugd in de ban van de populair geworden voetbalsport, overgewaaid uit Engeland. In ons land komen jongens na het werk samen en beoefenen ter ontspanning voetbal.

In het midden van de foto zit Frans Mathijssen en staat zijn vrouw. Zij werden ook wel “de vader en moeder” van Roosendaal Boys Combinatie genoemd.

Serieuzer werd het op vrijdag 31 juli 1912 als in Roosendaal, Anton Poldermans en caféhouder Frans Mathijssen in het café in de wijk Kalsdonk samen komen. Daar aan de Kalsdonksestraat besluiten de heren een voetbalclub met de naam Excelsior op te richten. Frans Mathijssen neemt zowat alle taken binnen de jonge vereniging op zich. Hij wordt voorzitter, secretaris en penningmeester tegelijk en op het veld is hij ook nog eens aanvoerder van de ploeg. In de eerste jaren wordt er nog niet in competitieverband gespeeld, maar worden er partijtjes gespeeld tegen buurtclubjes en militaire teams. Gespeeld wordt er op één van de vele weilanden in Kalsdonk en aan de Bredaschebaan.

Impressie van de Breda’sche baan in Roosendaal rond 1900.

Ook wordt er gevoetbald waar nu het Marconiplein is en bij de voormalige Marechausseekazerne. De club speelde vanaf 1916 in de RK Voetbalbond van het bisdom Breda in de kleuren blauwzwart. Er volgen drie kampioenschappen waarna de selectie zich sterk genoeg voelt om de overstap te maken naar de Brabantsche Voetbalbond.

Excelsior 1918 – 1919 Kampioen in de A-klasse van de Rooms Katholieke Voetbalbond zonder enige nederlaag.

De naam van de club veranderde meerdere malen omdat er elders al een vereniging bestond met het oudste recht. Na de 1e wereldoorlog in 1919 veranderde ‘Excelsior’ naar ‘Oranje Wit’ mogelijk als ode aan het koningshuis.

1920 Er werd gespeeld op een weiland aan de Brugstraat, gelegen op de plaats waar nu het Norbertuslyceum staat. Omkleden deed men met de tegenstander in café de Monopol hier rechts op de hoek Brugstraat – Lyceumlaan.

In 1921 volgde er promotie naar de landelijke NVB en opnieuw werd de naam veranderd, nu in vv Roosendaal. Uiteindelijk is er om het voortbestaan van de club te garanderen, op 16 juli 1927 gefuseerd met de  Roosendaalsche Boys, uit dezelfde wijk, en ontstond de naam RBC: Roosendaal Boys Combinatie. Tot aan de Tweede Wereldoorlog speelde RBC in de tweede klasse en eindigde het meestal in de middenmoot.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is rbc.jpg

In november 1940 werd er een eigen jeugdafdeling opgericht op initiatief van Jan van Gorp sr. en Toon van Zitteren. Het bestuur schenkt 5 gulden en in de eerste maand wordt 2 gulden en 66 cent aan contributie opgehaald. Adrie van de Vrede is het eerste jeugdlid. Deze jeugdafdeling blijkt een schot in de roos te zijn zo zou later blijken. Ondanks dat er verschillende leden van RBC in Duitsland moeten gaan werken, wordt RBC op 11 mei 1941 kampioen van de 2e klasse A. De tegenstanders in de promotie/degradatiewedstrijden zijn Picus, Limburgia, Standaard en Miranda. RBC wordt slechts derde. In het seizoen 1944 – 1945 komt de competitie vanwege de 2e Wereldoorlog stil te liggen. Er worden alleen maar vriendschappelijke wedstrijden gespeeld. RBC kroont zich weer tot de beste club van Roosendaal in de onderlinge competitie met de zusterverenigingen.

Tien jaar later kreeg RBC een eigen stadion aan de Zwaanhoefstraat, De Luyten (Luiten) In 1951 komt daar een fraai paviljoen, clubhuis bij. RBC kreeg als een van eerste verenigingen in 1953 een eigen lichtinstallatie. De eerste lichtwedstrijd tegen Willem II bracht duizenden toeschouwers op de been. Bij de introductie van het Nederlandse betaalde voetbal in 1954 was RBC van de partij. waar het debuteerde op 28 november 1954 met een 1-0 overwinning op het Xerxes van Coen Moulijn. De basis van de thuisclub bestond uit de lokale helden zoals de latere bondscoach George Knobel.

George Knobel: geboren in een trainingspak.

In de historie van RBC verdienen twee spelers extra aandacht. Dat zijn Theo Laseroms en allereerst George Knobel. In diverse interviews uit de jaren negentig in de landelijke dagbladen schets Knobel zijn leven. Wanneer George Knobel over vroeger praat dan ziet hij de beelden van zijn jeugd in Roosendaal terug. Als jongen uit een arm gezin leerde hij in de jaren dertig het vak van sigarenmaker, maar voetbal werd zijn grote liefde. Als zoon van een sigarenmaker is hij in bittere armoede opgegroeid. Dat betekende dat zijn vader drie, vier maanden per jaar zonder werk zat want het was seizoenarbeid. ‘Toen ik twaalf, dertien was moest ik dus ook het vak gaan leren. Moest? Ik had het geluk. En ik verdiende, terwijl ik vijftig uur per week werkte, een cent per uur. Als jongen van twaalf kwam ik thuis met twee kwartjes en dan kreeg ik van mijn moeder aan het eind van de week een stuivertje terug. En dan was ik rijk ten opzichte van de andere jongens in de buurt’.

Hij woonde aan de Bredase Baan, een volksbuurt in Roosendaal. ‘Ik was leerling-sigarenmaker toen de oorlog uitbrak. Ik werd met een paar kameraden als dwangarbeider naar Duitsland gestuurd. We maakten daar duikboottorens. We zijn een keer gevlucht uit de fabriek en hoorden bij Essen de bommenjagers van de RAF langs onze oren suizen. Angst heb ik nooit gehad. Na de oorlog werd ik eerst magazijnbediende en later productiebaas bij Philips. Niet slecht voor een knaap die alleen lagere school heeft gedaan. De Mulo konden we thuis niet betalen. , Het werk in de fabriek was surrogaat. Voetballen betekende alles voor me. Geld voor voetbalkleding was er niet. Hij werd geholpen door een kleermaker en tijdens een partijtje straatvoetbal gadegeslagen door kapelaan Koenraad. , Die man was onze geestelijke adviseur. Hij heeft mij ontdekt. Ik werd eerst lid van BSC, want RBC had toen nog geen jeugdafdeling. Pas later werd dat mijn cluppie. ‘Ik ben op mijn vijfde gaan voetballen. Toen waren zelfs de kleinste voetbalschoenen nog te groot. Voor kinderen in onze sociale positie was er maar één sport. De arbeidersjongens konden de straat op. ‘Het was net geen bittere armoede. Maar als kind realiseer je je dat niet. Ik vind nog steeds dat ik een gelukkige jeugd heb gehad. Maar als je de beelden terughaalt! Hoe de mensen gekleed waren. Allemaal met petten op, donkere petten. De grauwheid. En de vrouwen die naar de markt gingen. Het enige wat ze hadden was hun schone schort. Sommigen hadden een omslagdoek. ‘Je ziet daar je eigen moeder tussen, dan voel ik medelijden. Nog steeds.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Inkede152f700-3e40-012d-d7e9-0050569428b1_LI.jpg
1955: Sigarenbandje.

‘Ik kon leuk voetballen, merkte ik, want iedereen wilde me erbij hebben. En dan sta je met je veertien jaar plotseling in het eerste elftal van een tweedeklasser. ‘Dat gaat een tijdje goed, dan volgt een inzinking. Je gaat eens naar de meisjes kijken. Maar dat heeft bij mij niet lang geduurd, ik was zo weer terug. Natuurlijk ging ik niet naar een andere club. Daar dacht je niet aan, dat was verraad. Ik bleef hangen bij RBC en het werd 1954, met betaald voetbal. ‘Nou jongens, werd gezegd, jullie krijgen betaald voor de trainingen, een rijksdaalder per keer, drie avonden per week en als je een wedstrijd wint krijg je dertig gulden en als je gelijk speelt vijftien. Ik haalde het zuidelijk elftal, maar de verdiensten waren nog zodanig, dat ik in Roosendaal mijn baan bij Philips niet wilde opgeven voor een betere club dan RBC. Er was in die jaren vijftig in Nederland precies één speler die 10 000 gulden verdiende, dat was Coen Moulijn van Feyenoord.

Tot zijn 37ste speelde Knobel bij RBC. Knobel was een goede voetballer, een aanvaller die veel doelpunten maakte, tot een beenbreuk hem deed uitwijken naar het middenveld. ‘In de aanval was ik plotseling bang. Ik dacht: ik stop ermee. Maar Jan van Gorp, die nog bij NAC heeft gespeeld, de fysiotherapeut, zei dat ik het eens op het middenveld moest gaan proberen. Dat deed ik. Het was een heel wijze beslissing die eigenlijk mijn hele leven heeft beïnvloed. ‘Zelf spelen, dat was altijd het leukst. Wat is het beoefenen van een spel? Als je het goed doet, dan bestaat op dat moment de wereld niet. Je gaat er volledig in op. Je gaat lekker zweten, je bent een heel ander mens. ‘En ik heb heel mijn leven gespeeld of getraind. Ik heb ook geen andere ambities. Ja, beetje wielrennen. En ik maak elke dag met mijn vrouw een flinke wandeling. Kilometer of tien, dus je blijft fit. ‘En dan maakt het niks uit of je 20 bent of 73. Zolang het karretje loopt, loop je maar mee hè?’ Eigenlijk is hij altijd alleen maar geïnteresseerd geweest in het spel tussen de lijnen.

1976: George Knobel als bondscoach van het Nederlands elftal.

 Ik heb alle diploma’s van de KNVB gehaald in Zeist. Binnen de kortste keren was ik coach van MVV. In Maastricht liepen toen spelers om van te watertanden. Willy Brokamp, Jo Bonfrère, noem maar op. Brokamp was een kind van zijn tijd. Een vrijbuiter in moderne kleren. Hij speelde toen nog in het tweede. Wat een talent! Ik ben nooit meer zo’n goeie vent tegenkomen. Hij zat vaak in het café, maar vloog nooit uit de bocht, Het liep vijf jaar lang op rolletjes bij MVV en wonnen vaak van Ajax. Blijkbaar heeft dat indruk gemaakt, want op een avond hing voorzitter Jaap van Praag aan de lijn. Ajax was in 1973 de god van het wereldvoetbal. Als je aan de andere kant van de wereld met een speldje van Ajax rondliep, kreeg je een maaltijd aangeboden.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is f.jwwb.nl%2Fpublic%2Fh%2Fi%2Fn%2Ftemp-zjrwerzwllvsarsitsiy%2F1u36jk%2FDSC07930.jpg

Ik ging minder verdienen dan bij MVV, maar voor de helft van het geld was ik ook naar Ajax gegaan., Na twee maanden ging Cruijff naar FC Barcelona. Hij kon daar drie of vier keer zoveel verdienen. ‘Di Stefano, Puskas, Pele natuurlijk, Johan, Beckenbauer, Maradona, dat zijn de groten van de voetballerij. Ik heb Johan dingen zien doen op de training dat ik dacht: ja, ja hoe kan dat nou? Waartoe zijn wij op de wereld? Om de kost te verdienen. Iedereen heeft z’n prijs. Het vertrek van Cruijff was voor mij een geweldige teleurstelling. Mijn vrouw raadde me aan gelijk op te stappen. Pure intuïtie. Zonder Cruijff was Ajax een boom zonder vruchten. En die boom was niet verschrikkelijk groot. Sjaak Swart was gestopt en Jan Mulder was geblesseerd. , De club had alles gewonnen wat er te winnen viel. De sfeer werd een tikje losser. Als we met de trein naar het zuiden gingen, zag het in de coupé zwart van de rook. Op de training stonden mooie meisjes achter de hekken. Ajax was een popgroep in die tijd. In januari 1974 werd Ajax winnaar van de wereldcup in twee wedstrijden tegen AC Milaan. ‘Toen we aankwamen op Schiphol, werden we ontvangen als de Beatles. Maar ja, het voetbal werd steeds minder zonder Cruijff. Er zat geen zout in de aardappelen’.

George Knobel kreeg Ajax in augustus 1973 onder zijn hoede. Johan Cruyff was vertrokken naar FC Barcelona. Knobel werd de opvolger van Stefan Kovács en won in januari 1974 de wereldbeker in twee wedstrijden. Uit een 1-0 verlies en thuis versloeg Ajax – AC Milan met 6-0. 

‘Toen kwam het beruchte interview met een gloednieuw tijdschrift. Die journalisten moest lezers trekken. `Ajax gaat kapot aan drank en vrouwen’, stond er boven mijn verhaal. Ik mag hier ter plekke doodvallen, als ik die woorden letterlijk zo heb uitgesproken. Ik heb gezegd: `sommige jongens doen een beetje te veel aan een wijntje en een Trijntje’. Dat klinkt al een stuk genuanceerder. Mijn laatste uur had geslagen. Het gesprek met Van Praag heeft vijf minuten geduurd. Toen stond ik buiten. , Een paar uur na mijn ontslag hing Cruijff aan de lijn. Of ik vakantie wilde komen vieren in Barcelona. Ik had geen behoefte aan rust. ‘Ik heb Johan nog nooit kritiek horen uiten op zijn trainers of zijn medespelers. Wel op het bestuur. Hij was een vakman met uitzonderlijke kwaliteiten die op een uitzonderlijke manier leefde. Hij rookte verschrikkelijk veel, sliep weinig, maar als hij er moest zijn, dan was hij er. Een volmaakte prof.’

Ik kreeg vrijwel meteen een aanbod van de KNVB. Twee jaar ben ik bondscoach geweest. Onder zijn leiding kwalificeerde het team zich voor het EK 1976, door in een beslissend duel tussen groepswinnaars België te verslaan met ruime cijfers. Mede dankzij vier treffers van Rob Rensenbrink werd het in Rotterdam 5-0. Op het Europees kampioenschap zelf werd Nederland uitgeschakeld door de latere winnaar Tsjecho-Slowakije. De troostfinale werd wel gewonnen waardoor Nederland uiteindelijk derde werd. In 1975, stapten de PSV-ers Jan van Beveren en Willy van der Kuijlen boos op tijdens een training van het Nederlands Elftal in Polen. George Knobel had de training stilgelegd om de later arriverende vedetten Johan Cruijff en Johan Neeskens de hand te schudden. “Alsof de koning van Spanje kwam”, aldus Willy van der Kuijlen destijds.

George Knobel en zijn vrouw Dina. FOTO Robert van den Berge/het fotoburo.
George Knobel en zijn vrouw Dina. 

Nooit voelde hij zich zo eenzaam als in de tijd dat hij als bondscoach verplicht was ook de KNVB-vergaderingen bij te wonen. ‘Zes wedstrijden per jaar, maar wel duizend vergaderingen! Ik was een ongelukkig. Eén vriend zegt George overgehouden te hebben aan 68 jaar voetbal, een voormalige terreinknecht van MVV. ‘We hebben zeven jaar met elkaar gewerkt. Hij is even oud als ik en we hebben regelmatig contact. Vijf, zes keer per jaar, als ik in Maastricht ben, loop ik altijd even langs.

Juli 1996: Onderaan in het midden: Coach Jan Poortvliet, T.D. George Knobel, Assistant Trainer Henk van de Ven,

Een toevallige ontmoeting, op de fiets, met voorzitter Mangnus van RBC leidde tot een aanbod om technisch directeur te worden. En dan wil George Knobel op zijn oude dag RBC toch nog eens dienen. Hij is nog topfit en ziet er absoluut niet uit als een man van 73 jaar. “Ik heb niet de intentie om oud te worden, wel de intentie om gezond te blijven. Ik zit nog elke dag op de racefiets, in mijn tuin zet ik af en toe een loopcircuitje uit en met mijn vrouw wandel ik dagelijks vele kilometers. Bovendien rook ik niet en drink ik geen alcohol.” Rond het voorjaar van 2000 komt George in conflict met het RBC bestuur toen de Belgische doelman Jurgen Belpaire tijdens zijn herstel van een dubbele beenbreuk werd bedankt voor bewezen diensten. George Knobel is voor de keeper in de bres gesprongen door in een brief het bestuur van onbekwaamheid te betichten. Hij vond dat het bestuur moest ophoepelen maar Knobel kon zelf vertrekken bij RBC. Nadat zijn echtgenote op 26 juni 2010 aan Alzheimer overleden was, werd enkele weken later bij Knobel dezelfde ziekte geconstateerd. Knobel overleed op 5 mei 2012 in zijn woonplaats Roosendaal op 89-jarige leeftijd.

Profvoetbal in Nederland: ‘twee parallelle competities’.

In het najaar van 1954 startten er twee profcompetities in Nederland.  De wilde profbond NBVB begon met een competitie, alsook de KNVB die onder druk betaald voetbal toeliet in de 1e klasse. Na besprekingen tussen de KNVB en de NBVB werd de vrede gesloten en de lopende competities gestaakt. In november werd begonnen met een nieuwe competitie, waaraan clubs uit beide bonden deelnamen. Een deel van de NBVB club fuseerde of ging op in bestaande clubs. In de jaren die volgen bestond het semiprofvoetbal uit 5 divisies. De hoogste is de eredivisie gevolgd door twee 1e divisies en twee 2e divisies. RBC vertoefde in de 1e of 2e divisie. Legendarische trainers zoals Wim de Bois, Tinus van der Pijl en Co Stijger stonden er onder contract.

RBC tegen Bleijerheide (1-0). Doelpunt van George Knobel (buitenbeeld) RBC. 27 september 1952.
Volkskrant bij de wedstrijd RBC- Bleijerheide.

Kleinzoon Eugene Mathijssen: ” Mijn opa Frans Mathijssen mede- oprichter van RBC had in 1955 inmiddels zijn voorzittershamer al overgedragen. Maar hij bleef de thuiswedstrijden van zijn club trouw bezoeken, totdat zijn kinderen hem adviseerden om voortaan thuis te blijven. Hij wond zich tijdens de wedstrijden zo op, dat men bang was dat zijn hart het een keer zou begeven. Bij een harde charge op één van de RBC spelers of een in zijn ogen foute beslissing van de scheidsrechter, sprong hij over het hek en stormde het veld. Bij het 75-jarige bestaan van RBC in 1987 werd mijn opa erevoorzitter van de club.”

In 1957 werd R.B.C. kampioen van de 2e divisie B en promoveerde naar de 1e divisie. Het kampioenselftal bestond louter uit jongens uit eigen kweek. Zoals Piet van Osta, Adrie Roks, Jan van Gorp, Theo Laseroms, ‘Tufke'(Kees) van Haperen, Piet Bruyninckx, Cees Cools, en Cees Vermunt alias ‘Ceesje Munt’. De laatste drie werden ook wel The Big Three genoemd. Het elftal verdiende de promotie in de laatste wedstrijd door een 5-0 op DHC.

Kampioenselftal RBC 1957. boven : Piet van Osta, Theo Adan, Jo van Loon, Jan van de Water, Cees ‘Tufke’ van Haperen en Frans Tausch (trainer). Onder: Cees Cools, Theo Laseroms, Adrie Roks, Piet Bruyninckx, Cees Vermunt en Dick de Boef.

Uitgebreide beelden uit het West Brabants Archief van 20 minuten zonder geluid. Op deze film zien we: Het publiek wandelt naar stadion De Luyten (Luiten) te Roosendaal; portretten van de elftalspelers; de spelers betreden het veld; de tegenpartij DHC in (groen-zwart); uitgebreide beelden van de wedstrijd en het publiek; RBC wint met 5-0; het publiek bestormt het veld na afloop; overhandigen krans; viering op het veld; harmonie Vlijt en Volharding; koffietafel; rijtoer met koetsen en luxe wagens; de stoet komt voorafgegaan door harmonie Vlijt en Volharding aan bij het raadhuis op de Markt; ontvangst door burgemeester Freijters en wethouders op het bordes van het raadhuis; toespraak, etentje en tot slot het kampioenschapsfeest.

Theo Laseroms: Theo de Tank.

RBC heeft in haar geschiedenis een paar spelers gekend die nationale naam maakten. De eerste was de reeds omschreven George Knobel als trainer van Ajax en het Nederlands elftal. De tweede is international Theo Laseroms eveneens geboren te Roosendaal 8 maart 1940. Hij was een spijkerharde verdediger die zijn grootste successen boekte bij Feyenoord. Samen met ‘ijzeren’ Rinus Israël vormde Theo in De Kuip een sterk centraal duo. Zij boekten met hun club grote successen zoals de Europa Cup I in 1970. Theo Laseroms begon met voetballen in de straten van Roosendaal. Theo werd veelvuldig opgepakt door de politie en mocht het bureau pas weer verlaten als hij strafregels had geschreven: ‘Ik mag nooit meer voetballen op straat’. Toch deed hij dit iedere keer weer. De ouders van Theo waren dan ook blij dat hij op negenjarige leeftijd mocht gaan voetballen voor RBC. Hier ontwikkelde Theo zich tot een felle rechtsbuiten, die als zestienjarige al een basisplaats had afgedwongen bij de 2e divisionist. Een jaar later, in 1957, zou Laseroms met RBC-kampioen worden en promoveren naar de 1e Divisie. In 1958 haalde NAC Breda de aanvaller binnen. Hij ontwikkelde zich en werd al gauw international van Jong Oranje. De absolute top was volgens Laseroms enkel bereikbaar als hij ‘in de Randstad zou spelen’, dus een transfer in Theo. 

Tekenaar Dik Bruynesteyn combineerde naam Israëls en Laseroms tot Laserels. Lees het onderste ‘reclamebord’!!

In Rotterdam werd Laseroms omgeturnd tot de keiharde en gevreesde verdediger waar iedereen hem van kent. Trainer Wiel Coerver, zette hem centraal in de verdediging en op het Kasteel ‘de Tank’als bijnaam kreeg. De doorbraak van Theo was definitief en in 1965 debuteerde hij voor Oranje, waar hij zes interlands voor zou spelen. Zijn tweede interland speelde hij overigens als spits, omdat bondscoach Denis Neville tegen Zwitserland ‘een soort met dynamiet geladen speerpunt’ zocht. Privé had Theo echtbreuk gepleegd. Hij was er met de dochter van een bekende Rotterdamse bakker vandoor gegaan, ten gevolge waarvan zijn leven totaal op zijn kop stond. De Laseroms vluchtte naar Amerika, ging voor de Pittsburgh Phantoms spelen. Theo hing echter dagen in de kroeg en werd 14 kilo zwaarder. Manager Guus Brox van Feyenoord kreeg het verval van Theo te horen en ging met hem in gesprek en raakte kennelijk een gevoelige snaar bij Laseroms. In de tijd dat Theo voor Sparta speelde en tegen Feyenoord uitkwam, noemde men hem op Zuid: De grootste schopper aller tijden! Theo werd Feyenoorder. Intussen volgde hij dagelijks een zware bokstraining, om het overtollige vet kwijt te raken. Bij zijn eerste wedstrijd in de Kuip ‘68/’69 werd hij uitgefloten door het legioen, totdat hij zijn beroemde lange slidings inzette en er een enthousiast gebrul van de tribunes opsteeg, een langgerekt: “Theeeoooo, Theeeooo!!!” Theo Laseroms kwam op 25 april 1991 op jonge leeftijd te overlijden in Zwolle. Hij werd 51 jaar.

Met onderstaand elftal debuteert RBC in de 1e divisie A en handhaaft zich moeizaam. Het behaalt uiteindelijk drie punten meer dan het gedegradeerde EDO.  

RBC 1958. Staand: Ton van Zantvliet, Theo Adan, Cees Cools, Piet Villevoy, Piet Bruininckx, Cees van Haperem en Frans Tausch (trainer).Gehurkt: Piet Vergouwen, Cees Vermunt, Adrie Mertens, Cees van Beers, Adrie Roks en Dick de Boeff.

Donkere tijden breken aan.

Het verschil in kwaliteit tussen de 1e en 2e divisie bleek erg groot. In de navolgende jaren wist RBC maar net degradatie te ontlopen. In 1962 greep de KNVB in en werden de twee eerste divisies samengevoegd waarbij 20 van de 36 clubs moesten verdwijnen. RBC eindigt op de vierde plaats in de 1e divisie B en bleeft na een verrassend goeie competitie in de 1e divisie.

RBC 1962. Boven: trainer Rinus Gillisse, Piet Bruijninckx, Cor van Zantvliet, Jan van Gorp, Piet van Osta, Pierre Mathijssen en Adri Mertens. Midden: Pierre van Hal, Adri Roks, en René van de Boom. Onder aanvoerder Kees Cools, Kees Vermunt en Henk van de Ven.

RBC bleef jaar na jaar bewonderingswaardig net boven de degradatielijn tot aan seizoen 1968/1969. Alle energie ten spijt is de selectie toch te mager in grote en potentie. Het doek viel en de Roosendalers daalden af naar de 2e divisie.

RBC terug naar de amateurs.

In 1971 werd de 2e divisie opgeheven. De KNVB zag teveel profclubs onder het bestaansminimum en voerde een sanering in. De beslissing of een club verder kon in het profvoetbal of diende te verdwijnen, werd gemaakt op basis van het toeschouwers gemiddelde over de afgelopen vijf seizoenen. De elf clubs met het laagste gemiddelde moesten wijken daarbij ook RBC. De Roosendaal Boys Combinatie werd na zestien jaar terug gezet naar de amateurs.

De laatste profselectie van RBC 1971: Boven: Broeder Liquorio, Vic van de Hoek, Henk van de Ven, Pierre van Hal, Ton van Zantvliet, Rini Hoevenaars, Piet Hopstaken, Johan van de Boom, Adrie Bierstekers, Trainer Co Stijger en verzorger Tonnie Nielen. Onder: Fred Gillissen, Ben Redel, Frie Nouwens, Toine van Loon, Robert Hopstaken, Johan den Haan en Peter Schouw.

Journalist Johan Derksen’s visie op de sanering in de VI van mei 2012:

“De voorzitters waren destijds notabelen, die niet werden geremd door enige kennis van zaken. Eerst beschikte RBC over een militaire arts als clubleider, later nam een rooms-katholieke broeder de voorzittershamer over. Broeder Liquorio(red.) was er verantwoordelijk voor dat RBC in 1971 een van de slachtoffers werd van de grote sanering in het betaalde voetbal. De KNVB selecteerde op basis van de toeschouwersaantallen. De voorzitter van RBC was uitermate correct door de clubleden, die gratis entree hadden, niet mee te rekenen. Andere clubs deden dat wel, maar RBC gaf alleen de verkochte kaartjes op, waardoor het gedwongen terugkeerde naar de amateurs. 

Een weetje dat.………..?

De grootste overwinningen in het semiprof bestaan waren RBC- Velox 8-1 op 9 juni 1963 en RBC- EDO 7-0 op zondag 7 mei 1970 vlak voor de sanering. De grootste nederlaag uit de historie was uit tegen Alkmaar’54 op zondag 23 februari 1958 namelijk 8-0.

Het jubileumboek over het 105 jarige bestaan van RBC geschreven door Eddy Janssen.
1951 sportpark De Luiten: Kees Vermunt in actie in een wedstrijd tegen Vitesse.

Clubicoon en oud-speler Kees Vermunt ontving in 2017 het eerste exemplaar van het jubileumboek over het 105-jarig bestaan van RBC Roosendaal uit handen van schrijver Eddy Janssen gekregen. Niet meer dan logisch want deze 87-jarige man is zijn RBC altijd trouw gebleven. Kees Vermunt speelde 750 wedstrijden in het eerste elftal en is inmiddels al 80 jaar lid.