Excelsior

In 1902 was Excelsior een van de eerste arbeidersclubs. Tot dat moment was voetbal vooral een elitesport, maar vanaf de eeuwwisseling nam het aantal arbeidersclubs snel toe. Uiteraard werd Woudestein de thuisbasis van Excelsior, al speelde de club twee keer kort op een ander terrein. In 1906-1907 voetbalde de club op het Afrikaanderplein en van 1922 tot 1939 was het Toepad het terrein van Excelsior. Kort voor de oorlog, toen aan het Toepad een marinierskazerne werd gebouwd, verhuisde Excelsior terug naar het vertrouwde Woudestein.

Wie de historie van Excelsior op een rijtje zet, komt er snel achter dat de sportieve prestaties van Excelsior pieken en dalen kent. In 1946 en 1952 promoveerde Excelsior naar de eerste klasse KNVB. De eerste keer na een beslissingswedstrijd tegen VUC in de Kuip, die 52.000 toeschouwers trok. Na de invoering van het betaalde voetbal behaalde de club driemaal het kampioenschap in de eerste divisie (1974, 1979 en 2006) en promoveerde nog een aantal keer, om meestal niet lang daarna weer te degraderen. Te klein voor tafellaken, te groot voor servet.

Eén keer in de historie bereikte Excelsior de finale om de KNVB-beker, in 1930. Deze wedstrijd, tegen stadgenoot Feyenoord, werd met 1-0 verloren. Drie jaar eerder wonnen de roodzwarten wel met 5-0 van Feyenoord toen de Zilveren Bal de inzet was. Deze triomf was meteen een van de grootste successen van voor de Tweede Wereldoorlog.

L. Bouter 1931
Manssen 1931

Met minimale middelen en een maximum aan creativiteit wist Excelsior zich gedurende de historie in leven te houden. Altijd wist de club zichzelf te bedruipen. De verpersoonlijking van dit beleid is ‘Mister Excelsior’ Henk Zon. Een kwart eeuw lang, van 1952 tot 1977, was hij voorzitter. Na elke toespraak haalde Henk Zon zijn bolhoed tevoorschijn om geld op te halen. En niemand die hem durfde te weigeren. Als bestuurder van de KNVB ging hij bovendien vaak op reis met het Nederlands elftal. Na het banket ging hij dan staan, zong het clublied van Excelsior en bracht lootje voor het Bouwfonds aan de man.

Het leverde Excelsior veel broodnodige guldens op. Maar zijn meest besproken actie was het inzamelen van oud papier. Met een halfversleten busje ging een groepje vrijwilligers wekelijks op pad om op vaste adressen oude kranten, folders e.d. op te halen. Het leverde Excelsior jaarlijks duizenden guldens op en een imago als oud papier club. Het oud papier was voor Excelsior letterlijk bankpapier. Eenmaal voorzitter af, ging Henk Zon vaak persoonlijk met de inzamelaars op pad. Toen hij met hen op een adres kwam waar de oude kranten tot het plafond lagen opgestapeld, draaide hij zich lachend om naar de anderen: ‘Bel Jaap Bontenbal, we kunnen Cruijff kopen!’
Ondanks de moeizame financiële positie en de steeds verder teruglopende toeschouwersaantallen zijn de bestuurders van Excelsior altijd vooruitstrevend geweest. Toen de KNVB halverwege de jaren vijftig halsstarrig bleef weigeren betalingen in het voetbal toe te staan, nam Zon samen met Aad Libregts en bestuurders van Feyenoord, Sparta en ADO het initiatief om met bondsvoorzitter Hopster over de situatie te gaan praten.

  Aard Bak 1953

‘We leven in een materialistische wereld’, schreef Zon in zijn dagboek nadat Excelsior-speler Aad Bak hem duidelijk had gemaakt dat hij voor geld zou vertrekken naar de Profclub Rotterdam. ‘Geld is troef en de KNVB zal eraan moeten.’ In augustus 1954 ging de bondsvergadering akkoord en was betaald voetbal een feit. Niet alleen in dat opzicht speelden de Kralingers een voortrekkersrol. Excelsior was in 1958 ook de eerste club in Nederland met een overdekte staantribune. Leden zorgden voor het geld en een groep ijverige vrijwilligers voor de bouw.

Op 25 april 1965 de laatste thuiswedstrijd van het seizoen 64/65 Veendam-Excelsior 1-0 op het sportpark De Langeleegte. Doelpuntmaker Harry Jager. Ondanks de 1-0 zege degradeerde Veendam naar de 2e divisie. A Vooraf een kort intervieuw met de geblesseerde Henk Nienhuis. Filmarchief BV Veendam 1965 Veendam-Excelsior 1-0 Amateurbeelden van: filmgroep dubbel 8

Heimen Lagerwaard ‘De ooievaar van Excelsior’.

Voordat Wernke Vincent voor het jubileumboek ‘Excelsior 100 jaar’ op bezoek ging bij Heimen Lagerwaard las hij enkele oude interviews met hem. In een artikel werd beschreven hoe hij keurig op tijd voor het raam van zijn woning stond uit te kijken naar de verslaggever van dienst. “Hetzelfde tafereel deed zich voor toen ik bij hem het tuinpad opliep, waarna hij mij even later met een gulle glimlach op zijn gezicht de hand schudde en binnenliet”.

  Dick van den polder, Heimen Lagerwaard en keeper Arie den Hartog

Tijdens het interview hadden we het uiteraard over die ene interland die Lagerwaard speelde op 27 september 1953 tegen Noorwegen. Niet eens een hele wedstrijd, want pas twintig minuten voor tijd kwam hij in het veld voor de ‘geblesseerde’ Frans Tebak. Het stond op dat moment al 3-0 voor Noorwegen en alle doelpunten waren voorbereid door Rube Strandbakke, de directe tegenstander van Tebak. Voor Lagerwaard viel er weinig eer meer te balen. Drie minuten na zijn entree werd het ook nog 4-0 voor de Noren. ,,Toch ben ik trots op die wedstrijd’’, zei hij vol overtuiging. ,,Ik ben de enige van Kralingseveer die het Nederlands Elftal heeft gehaald. Ik ga nog steeds elk jaar naar de reünie van oud internationals. Hartstikke gezellig om al die mannen van vroeger terug te zien.’’ Op vijftienjarige leeftijd was hij al eerste elftalspeler van CKC. Een bestuurslid van die vereniging voorspelde hem een grote toekomst en hij bleek gelijk te krijgen. Toen hij negentien was, vertrok Lagerwaard naar Excelsior.

Boven: Gerrie den Hartog, Arie den Hertog, Lo Dörr, Arie Delwel, Heimen Lagerwaard en Wim Visser. Onder: Gerard Weber, Ben Damen, Piet Slui, J. Slavenburg en Louis Corpeleijn. 

Los van die ene interland die achter zijn naam staat, speelde hij tussen 1950 en 1963 258 wedstrijden voor het eerste elftal van de Kralingers. Zijn debuut was op 24 september 1950 in de uitwedstrijd tegen HOV (0-4). Hij begon als linksachter, maar werd uiteindelijk stopperspil. Dick van den Polder stond naast hem. Hij werd het rechterbeen van Lagerwaard genoemd en andersom Lagerwaard het linkerbeen van zijn collega achterin. ‘Ik ben er gekomen door keihard te werken’, vertelde hij in 1973 tegen Het Vrije Volk over zijn voetbalcarrière. ‘Voetbal was voor mij alles. Ik leefde altijd de hele week naar die tweemaal drie kwartier toe. Er was voor mij niks mooiers.’ ,,Ik was zo fanatiek met voetballen, dat ging bij mij voor alles’’, vertelde hij ook tegen mij. ,,Ik was zelfs een keer bijna mijn baan kwijt bij Piet Smit omdat ik was geselecteerd voor het Nederlands B-elftal. Ik werd op het laatste moment opgeroepen, maar mocht niet weg van mijn baas. Nou, om twaalf uur liep ik gewoon de poort uit en ging naar Utrecht. Ik heb daar gevoetbald en na de wedstrijd zei ik tegen Henk Zon, die daar ook was: ‘Ik hoef morgen niet meer terug te komen bij Piet Smit’. Even later kwam hij naar me toe, bleek hij mijn baas te hebben gebeld. ‘Ga morgen maar gewoon weer naar je werk, het is alweer in orde’.’’

Wie foto’s van de voetballer Heimen Lagerwaard ziet, begrijpt de bijnamen die hij in zijn Excelsiortijd kreeg: ‘Ooievaar van Excelsior’ en ‘De man met de uitschuifbare benen’. De lange Heimen zag er misschien slungelig uit, hij had wel degelijk kwaliteiten die van hem een heel belangrijke speler maakten. ‘Hij oogde niet, zoals dat heet’, zei Dick van den Polder ooit in Het Vrije Volk. ‘Maar Heimen had wel degelijk kwaliteiten. Het meest kenmerkende was zijn traptechniek. Of het nu een pass over twintig of vijftig meter was hij kon een medespeler haarzuiver bereiken.’

Volgens hetzelfde artikel beschikte Lagerwaard over een formidabel spelinzicht, maar kon hij slecht tegen zijn verlies. Hij sarde graag tegenstanders en kon vrij hard zijn. Toch, vertelde hij trots, was hij in veertien en een half jaar Excelsior nooit door de scheidsrechter van het veld gestuurd.

Lo Dörr 1953

Die ene keer dat dit wel gebeurde, was overigens door zijn eigen aanvoerder Lo Dörr. Het was 1957 en bij een 2-0 achterstand tegen Juliana schoot een gefrustreerde Lagerwaard de bal opzettelijk en hard in het publiek, waarna Dörr hem naar de kleedkamer verwees. Befaamd was hij ook vanwege zijn bijgeloof. In het eerder aangehaalde paginagrote interview in Het Vrije Volk kwam het verhaal ter sprake over een oude sweater die hij altijd onder zijn shirt droeg. Of het nu bloedheet of ijskoud was, die sweater moest aan. Op een dag had zijn vrouw het versleten ding in de vuilnisbak gegooid. Dick van den Polder: ‘Heimen haalde ’m weer tevoorschijn. Hij heeft geloof ik de vuilnisbak ervoor binnenste buiten gekeerd. Met gaten en al deed-ie hem weer aan.’

Over zijn vaste rituelen op speeldagen vertelde hij zelf: ‘Ik deed elke zondag hetzelfde. Ik stond ’s morgens om vier, vijf uur op, ik liep daarna wat over de dijk, ging fietsen of naar fietsen kijken en ging vroeg naar Woudestein om anderen bezig te zien. Vaak speelde ik een partijtje biljart (.) en om elf uur nam ik steevast twee citroentjes. Ik was geen grote drinker hoor. Ik kon alles laten, behalve roken.’ Na zijn enige interland speelde Lagerwaard op 6 oktober 1953 met het voorlopig Nederlands Elftal tegen de Franse profclub Stade Francais. Het voorlopige Oranje, met ook Henk Schouten van Excelsior in de basis, won met 6-2. Desondanks zou de verdediger nooit meer een uitnodiging uit Zeist ontvangen. Zelfs op het befaamde ‘haasje’ dat elke debuterende international krijgt moest Lagerwaard lang wachten. Door bemiddeling van voorzitter Henk Zon kreeg hij dit vijf jaar na zijn enige interland alsnog. Lagerwaard overleed eind december 2006 op 77-jarige leeftijd.

Henk Zon ‘mister Excelsior’

Wie vroeger over Excelsior sprak, had het automatisch over Henk Zon. En hoewel hij inmiddels al weer drie jaar dood is, wordt zijn naam nog steeds regelmatig genoemd. Het is dan ook moeilijk om iemand te vinden die een groter stempel op de club heeft gedrukt dan hij.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is henkzon.jpg

Zonder andere mensen tekort te doen, denk ik dat we Henk Zon zonder twijfel Mister Excelsior mogen noemen. Een portret van een echte clubman, met een rood-zwart hart en zijn eeuwige optimisme op zijn Excelsior omhoog te helpen. Zo maar een anekdote van Koos Postema uit een Voetbal International uit 1991: “Ik zie het nog voor me: Henk Zon in z’n blauwe trainingsbroek en crèmekleurig trui die alle ingooien aan Excelsior gaf. Ook al was overduidelijk dat een van onze spelers de bal het laatst had aangeraakt, Henk Zon wees gedecideerd met de vlag in de richting van de helft van de tegenstander. Dan gierden we het uit.”
Zijn naam klinkt nog regelmatig op Woudestein. Het bord met sponsors en vrienden van Excelsior, aan de rand van de oude zittribune, bevat nog steeds een bord met zijn naam: ‘Henk Zon – ere-voorzitter’. Hoewel hij inmiddels al weer ruim drie jaar geleden overleed, lijkt Henk Zon nog altijd op Woudestein rond te hangen. De mensen praten over hem. Zijn naam valt in een gesprek, en wordt altijd met respect uitgesproken. Of je ziet zijn foto in het sponsorhome: het royale hoofd met een enorme glimlach rond z’n lippen, en natuurlijk met de eeuwige sigaar in de mond. Een voetbalbestuurder in hart en nieren. Maar bovenal een echte clubman met een rood-zwart hart.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is excelsior-100-jaar.jpg

In 1943 nam Henk Zon voor het eerst plaats in het bestuur van Excelsior. Daarvoor had hij al enkele wedstrijden in het eerste gespeeld, en was hij negen jaar lang aanvoerder van het tweede elftal. In 1952 werd hij voorzitter van de club. Het Nederlandse voetbal stond op dat moment aan de vooravond van een aantal drastische veranderingen. Henk Zon was een van de mensen die in de ontwikkelingen voorop liep.
In de zuidelijke provincies was in die tijd namelijk een zogenaamde ‘wilde’ voetbalbond ontstaan, onder leiding van Meneer Egidius Joosten. Hij wilde dat spelers net als in een aantal ons omringende landen betaald zouden gaan worden. Joosten richtte daarom de Nederlandse Beroeps Voetbal Bond op, waardoor de clubs in het westen achterop dreigden te raken. Om dat te voorkomen besloot Henk Zon een aantal clubs bijeen te roepen. De verschillende clubs kwamen op 30 juni 1954 bijelkaar in het Utrechtse hotel Terminus. Tijdens de conferentie kwam het betaalde voetbal eindelijk tot stand. Vanaf dat moment werd in Nederland gesproken over de beruchte slaapkamerconferentie.

CLUBLIED EXCELSIOR ‘FERME JONGENS, STOERE KNAPEN’
Wij gaan naar het terrein, naar ons Woudestein
Waar Excelsior vlag waait in de wind
En wij vinden het fijn, als we daar maar zijn
Want daar is een ieder goed gezind
Daar heerst altijd weer een gezonde sfeer
Daar is vreugd en nimmer klinkt gemor
En met blijheid in het hart
Strijden wij voor rood en zwart
Voor de roem van ons Excelsior
En met blijheid in het hart
Strijden wij voor rood en zwart
Voor de roem van ons Excelsior Refrein:
Wij gaan naar het terrein, naar ons Woudestein
Waar Excelsior vlag waait in de wind
En wij vinden het fijn, als we daar maar zijn
Want daar is een ieder goed gezind
Daar heerst altijd weer een gezonde sfeer
Daar is vreugd en nimmer klinkt gemor
En met blijheid in het hart
Strijden wij voor rood en zwart
Voor de roem van ons Excelsior
En met blijheid in het hart
Strijden wij voor rood en zwart
Voor de roem van ons Excelsior

Ferme jongens, stoere knapen
De sport eist kerels van stavast
Duffe dromers, die maar staan te gapen
Vormen iets dat bij ons spel niet past
Wie zijn kracht energiek ons wil geven
Wie een vent is, waar echt pit in zit
Wie naar ’t hoogste steeds met ons wil streven
Die is welkom als Excelsior lid Gezongen door ‘Henri Soleil’ (Henk Zon) met het Rotte’s Mannenkoor, 1977 Tekst: Toon Kenters
Muziek: Willy Schootemeyer

Henk Schouten ‘Neusje voor goals’

Henk Schouten 1953

Henk Schouten begon bij Excelsior, hij kwam via de Haagse Profs en Scheveningen Holland Sport bij Feyenoord terecht en in 1963 keerde hij terug naar Excelsior. Alleen al voor Feyenoord, dat hij tussen 1955 en 1963 diende, maakte hij 125 goals. Henk Schouten was echter niet op zijn mondje gevallen en dat kostte hem de kop na zijn roemloze tweede interland. Toen een KNVB-official hem na de 0-4 nederlaag tegen de Belgen een gebrek aan werklust verweet, antwoordde Schouten dat voortaan beter een locomotief kon worden opgesteld. Een mannetje dat opviel door zijn spelplezier, een fluwelen techniek, een natuurlijke aanleg voor zowel combinatiespel als voor weergaloze individuele acties en bovenal met ‘een neusje voor het maken van doelpunten’.

Negen doelpunten
Dat laatste bewees hij op letterlijk onnavolgbare wijze op 2 april 1956 (2e Paasdag) toen hij met Feijenoord in de wedstrijd tegen de Amsterdamse club De Volewijckers 9 doelpunten maakte. Dat is een record dat nog steeds overeind staat. En het was niet het enige record dat die middag sneuvelde: want ook het feit dat hij al binnen 33 minuten in de eerste helft twee rasechte hattricks maakte is nooit meer geëvenaard. 

Sigarenbandje

Henk Schouten was zaterdag bij een boekpresentatie. Gelukkig maar, want Schouten is misschien wel een van de grappigste Rotterdamse spelers. Lachen, scoren, winnen; dat was het recept van de acht jaar dat hij bij Feyenoord voetbalde. Zaterdag werd Schouten op het podium geroepen om een paar moppen te vertellen. Geen negen, zoveel als z’n goals, wel eentje. En nog een. En nog een. En nog een. Vier in totaal, de zaal, vooral gevuld met oud-spelers en kinderen van voetballers uit vervlogen tijden, lag in een deuk. Schouten, vierentachtig inmiddels, liet de zaal lachen, grinniken en hinniken. Bram Peper, parmantig gezeteld naast het podium zodat iedereen hem kon zien, schaterde het uit. Een supporter riep of de schrijver Oudenaarden niet nog een vierde boek kon schrijven; met enkel de grappen van Schouten. Inderdaad: lachen, scoren, winnen. Opdat Henk Schouten nog maar jaren schunnige moppen mag vertellen.