DHC

DHC is ontstaan op 17 maart 1910 uit twee kleine verenigingen t.w. Hollandia en Delfia. De Delftse combinatie speelde aan de Buitenwatersloot. Dit is van oorsprong een afwatering net buitende de vesting Delft richting Den Hoorn. Daar aan het kanaal startte DHC zijn wedstrijden maar verhuist in 1916 naar de laan van Vollering en voorziet het terrein van een houten overdekte zittribune met een clubhuis. In 1922 stelde DHC zijn eerste trainer aan, de Engelsman Gus Smith. In Engeland was voetbal zo’n beetje uitgevonden en daar moest de kennis dus vandaan komen.

Gerelateerde afbeelding

DHC werd succesvol en haalde in 1925 de finale van de prestigieuze Zilveren Bal. In Rotterdam werd er met 2-0 van Sparta verloren maar de naam DHC kreeg allure. De Zilveren Bal was in de eerste helft van de 20e eeuw een voetbaltoernooi, georganiseerd door Sparta en Feijenoord dat jaarlijks voorafging aan het seizoen en in Rotterdam werd gehouden. De aanloop van toeschouwers achterhaalde al snel de krappe bebouwing zodat langs alle zijden tribunes verrezen met een capaciteit van 15.000 bezoekers. In 1931 kende de club zijn eerste international. Het was Joop van Nellen die debuteerde in een wedstrijd tegen Frankrijk.

In 1932 promoveerde DHC naar de hoogste afdeling dit gebeurde onder trainerschap van het ‘fenomeen’ de Engelsman Tim Coleman. Hij weet direct al in zijn eerste jaar te promoveren naar de eerste klasse. Vier Nederlandse clubs en drie maal een kampioenschap in negen jaar tijd. Dat is een erelijst waarop in die tijd niet veel trainers kunnen bogen. Lees meer over Tim Coleman in Oorlogsheld en kampioenstrainer een column uit Sportwereld.

DHC elftal in 1933 gepromoveerd uit de 2e klasse naar de 1e klasse

In 1939 werd er een noodcompetitie gevormd. Vele spelers waren opgeroepen in militaire dienst i.v.m. de gespannen situatie aan de grens.Tijdens de 2e wereldoorlog in 1941 speelt DHC tegen ADO om het westelijk kampioenschap in de eerste klasse. De heenwedstrijd in het Zuiderpark eindigde in 1-1. De replay in De Kuip voor 50.000 bezoekers wordt een 3-1 overwinning voor ADO.

Afbeeldingsresultaat voor ado-dhc 1941
Rotterdam De Kuip 1941 ADO – DHC 3 – 1

Na de tweede wereldoorlog, op 10 juni 1950 reikte DHC tot de halve finale van de KNVB beker en speelde thuis tegen HFC Haarlem en verloor met 1-2.

DHC Delft elftal seizoen 1951/1952

Een bijzonder mager 1954 volgde met een laatste plaats in de 1e klasse, waardoor de insteek in het betaalde voetbal in 1955 ongunstig uitpakte. DHC startte op het laagste niveau, de tweede divisie. De malaise bleef aan met als dieptepunt opnieuw een laatste plaats in het seizoen 1957/58. Maar zie daar, een seizoen later volgde promotie naar de 1e divisie door een tweede plaats, achter kampioen ’t Gooi uit Hilversum.
Op 15 mei 1960 werd er voor het eerst in het nieuwe stadion de Brasserkade gespeeld.

Het volgende hoogtepunt is de KNVB bekerfinale van 1962. DHC bereikt dit door te winnen van achtereenvolgens SHS, de Volewijckers, DFC en NAC ,en verslaat in de halve finale PSV. In overleg met Sparta zal de finale gespeeld worden op het Kasteel want de opkomst zal in dit stadion groter en dus ook de te verdelen recette. Het wordt voor Sparta speler Tonny van Ede zijn 500e in het eerste maar is ook voor DHC een pikante. Spits Piet van Miert heeft het vorige seizoen de overstap gemaakt naar Sparta en komt nu tegenover die andere Piet te staan, keeper Piet Lagarde. De wedstrijd eindigt na 90 minuten in 0-0 en dus werd verlengen met een spectaculair einde.  

Halverwege de match onder voortdurende regenval raakt Hans Dorjee, namens DHC, twee keer de lat waarna er in de tegenaanval, een doelpunt valt. Het is in een scrimmage dat ex-DHCer Piet van Miert, na een misser van keeper Piet Lagarde, de bal in het doel frommelt. De Golden Goal regel brengt direct de beslissing en de beker gaat naar Sparta. Is het door het sompige veld dat de bal een vreemde beweging maakte ? Dramatisch is het voor DHC maar zeker voor keeper Piet Lagarde die hier nog lang aan werd herinnerd.

Halverwege de jaren ’60 is het verloop onder de spelers erg groot en financieel gaat het ook slecht. In 1966 wordt daarom besloten om de amateurtak en de betaald voetbaltak te splitsen, om zo de professionele aspiraties echt door te drukken. In de zomerstop van 1967 laat de KNVB een kleine bom barsten. De toenmalige sectievoorzitter van de KNVB laat in een interview in een landelijk dagblad weten dat het betaald voetbal erg verzadigd is en dat er flink gesaneerd moet worden. DHC ’66 wordt als voorbeeld aangehaald als een club die eigenlijk geen bestaansrecht heeft. De club is echter van mening dat als de successen weer komen, de toeschouwers en sponsors de weg naar De Brasserskade weer weten te vinden. In 1967 op 19 mei hield DHC als zelfstandig betaalde organisatie op te bestaan. En fuseert tot Xerxes/DHC.

Aan het einde van het seizoen 1966-1967 fuseerde de profafdeling van Xerxes met DHC. De wedstrijden van deze fusieclub, Xerxes/DHC’66 geheten, werden in Delft gespeeld.
In één van dat eerste wedstrijden, op zondag 13 augustus 1967 in het nieuwe seizoen, speelt de club onder de nieuwe naam tegen Feijenoord en
verliest met 0-3 van Feyenoord. De doelpunten voor Feyenoord worden gescoord door Ove Kindvall, Rinus Israël (uit een strafschop) en Coen Moulijn. De opstelling van Xerxes/DHC was: Eddie Treytel, Hans Dorjee, Alexander Joncic, John Spinhoven, Ab Fafié, Willem van Hanegem, Wim Tetteroo, Co Lissenberg, Lazar Radovic, Wim Kleinjan, Rob Jacobs (Thijs Kwakkernaat). Deze historische Polygoonbeelden van deze Eredivisie wedstrijd Xerxes/DHC’66 – Feyenoord zijn zonder commentaar. Xerxes/DHC’66 behaalde in het seizoen 1967-1968 nog een zevende plaats in de Eredivisie, maar bleek desondanks een doodgeboren kindje. Al na één volledig seizoen in de Eredivisie ging de club failliet.

Joop van Nellen: Talentvolle liefhebber

Als het gezegde ” Wat goed is komt snel” van toepassing is dan is dat in de sportwereld. Joop van Nellen blijkt zo een talent die als de bliksem op zestien jarige leeftijd, in 1926, zijn debuut maakte in het eerste van het Delftse DHC. Twee jaar later, hij is pas achttien jaar, zit hij bij de selectie van Oranje. Holland zoals dat toen werd genoemd speelde een interland tegen Italië in het San Siro Stadion in Milaan. Een aantal vaste krachten ontbraken en werden vervangen door jonge spelers. Met een gemiddelde leeftijd van 23 jaar speelde het elftal met Joop van Nellen als linksbuiten een frisse onbevangen wedstrijd. Naast Joop debuteerden, de latere klasbakken, Leo Halle 22 jaar, Bep Bakhuys 19 jaar. De uitslag werd Italie-Holland 3-2 wat tegen de olympische bronzen tegenstander een hoopvolle uitslag is. Joop van Nellen vond zichzelf met zijn achttien jaar niet extreem jong voor een international. Elk oponthoud in een lager of minder gevorderd elftal achtte hij schadelijk voor de loopbaan.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Blessure--827x1024.jpg

Zijn carrière werd wel geschaad door een lelijke blessure, in pas de tweede interland die hij speelde tegen Zwitserland. De Zwitser, George Widmer, schakelde met grof en wild geweld, met twee acties, Bep Bakhuys uit en vervolgens Joop v Nellen met een scheenbeenbreuk. Maandenlang staat Joop aan de kant en zal zijn derde wedstrijd voor Oranje pas na twintig maanden volgen. Bizar genoeg dan weer tegen de Zwitsers. Joop v Nellen zal daarin zijn sportieve revanche nemen door al na twee minuten de 0-1 te scoren in Zürich.

De tweebenige speler vormde lange tijd een vaste keuze in Oranje. Hij was van origine rechts, maar hij had zichzelf de voorzet met links eigen gemaakt. ‘Al bij de adspiranten speelde ik linksbuiten. Hoe gaat dat? Niemand was links en mij kon het niets schelen. Ik zei toen: zet mij daar maar neer.’ In 1933 raakte Joop van Nellen zijn plaats kwijt aan Kees Mijnders.

Als ‘thuisblijvende reserve’ reisde hij in 1934 aanvankelijk niet mee naar het WK in Italië‘. Toen Mijnders verhinderd was en Van Nellen alsnog werd opgeroepen, kon hij niet direct mee naar het trainingskamp in Cernobbio. Hij schreef af wegens de ziekte van zijn vader. De KNVB vertrouwde het zaakje niet en stuurde Karel Lotsy voor controle. De excuses kwamen vlot en toen zijn vader aan de betere hand was, reisde Van Nellen het elftal achterna. In Italië‘ trof hij een overgeconcentreerde ploeg. ‘Ze waren allemaal overgekookt van de zenuwen.’ Na 27 interlands kwam er in 1937 een einde aan zijn interland carrière.

Joop van Netten zittend met bal. 1931. Frankrijk – Nederland 3-4 Stade Colombes in Parijs

Joop van Nellen was een pure amateur. Voetbal moest vooral gezellig zijn. ‘Kijk na afloop naar hun gezichten en vooral wat ze drinken. De een zegt met een verveeld gezicht: geef mij maar een koppie thee. Een borreltje of een glaasje bier, moet toch kunnen ?’ De strikte amateurregels kregen Van Nellen na zijn actieve tijd toch te pakken. Hij had voor de oorlog 2,50 gulden onkostenvergoeding aangepakt voor het trainen van derdeklasser Laakkwartier en werd daarom in 1946 uitgesloten van het spelen van de Nieuwjaars wedstrijd met de oud-internationals bij HFC. Te flauw voor woorden van de KNVB en roomser dan de Paus, juist bij Joop van Nellen de pure liefhebber en amateur.

Piet Lagarde: Een voetbal loopbaan bruut verstoord.

Al vroeg in zijn jeugd bij Emma uit Dordrecht, werd het keeperstalent
van Piet Lagarde opgemerkt. Alleen al op het oog was Piet een hele mooie/stijlvolle doelman met zeer snelle reflexen. Als tiener stond hij in het eerste elftal bij Emma maar al in juli 1961 verhuisde naar DHC semi-professional werd. Dat betekende dat je overdag bij een baas werkte en s’ avonds ging trainen met op zondag een wedstrijd. Ook landelijk zag men het talent en dus maakte Piet zijn debuut bij het Nederlands jeugdelftal met spelers als Coen Moulijn en Sjaak Swart. Een mooie carrière gloort aan de horizon.

28 november 1961 Piet Lagarde ,stijlvol, in training fotograaf Eric Koch

Op 1 april 1962 speelde Lagarde zijn eerste interland voor het Nederlands elftal, tegen België. Jammer voor Piet dat de aandacht rondom Oranje verpest wordt door de animositeit tussen Feijenoord en Ajax spelers.

De wedstrijd werd verloren met 4-1, maar in de pers, werd het debuut van Piet, niet genoemd.  Alle aandacht ging naar het ontbreken van Ajax en Feijenoord. Want ondanks de dikke nederlaag keepte Lagarde een degelijke wedstrijd. Nu brak er belangrijke periode aan voor Lagarde, want er wachtte een bekerfinale en een aangekondigde overgang in de zomer naar Sportclub Enschede, dat tot de top van de eredivisie behoorde. De bekerfinale tegen Sparta, op het Kasteel, was een curieuze wedstrijd die, na een doelpuntloze strijd in de verlenging, door een mis grabbel van Piet Lagarde, werd beslist. Piet zou hierop later nog weleens mee worden geplaagd.

Boven: Piet Lagarde, Toon Brusselaars, Tonny Pronk, Bennie Muller, Kees Kuijs en Roel Wiersma.
Onder: Sjaak Swart, Henk Groot, Tonnie van der Linden, Co Prins en Peet Petersen.

Niettemin, speelde Piet, op 26 september van dat jaar een tweede maar ook voorlopig laatste interland, tegen Denemarken. In de 85e minuut brak hij zijn sleutelbeen en moest hij worden vervangen door de debuterende Jan Jongbloed.  Een paar jaar later, bij SC Enschede, was hij opnieuw ongelukkig. Piet Lagarde raakte bij een actie van Joop Butter van Go Ahead Eagles op 27 september 1964 opnieuw geblesseerd en liep daarbij een nier scheuring op en om levensgevaar te voorkomen werd twee dagen later in een ziekenhuis een nier verwijderd.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is image-31.png

Piet staat door een fusie van SC Enschede en Enschedese Boys nu bij
FC Twente onder contract. Hoopvol hervatte hij de training bij , om vanaf de zomer van 1965 aan te sluiten bij de selectie, maar Lagarde zou niet meer in wedstrijden uitkomen. Op 3 mei 1966 werd er nog een benefietwedstrijd georganiseerd tussen een Nederlands bondsteam met onder andere Jan KlijnjanCoen Moulijn en Theo Pahlplatz en het Duitse Borussia Mönchengladbach. De opbrengst hiervan bedroeg 23.000 gulden. Piet Lagarde stortte zich nu volledig op zijn maatschappelijke carrière bij Adidas, waar hij het tot PR-marketing directeur zou schoppen. Vanuit die functie was hij onder andere nauw betrokken bij het Nederlands elftal, een pleister op een sportcarrière die er verwachtingsvol uitzag maar te kort voor een talent die Piet Lagarde absoluut was.