DFC

Van cricket naar voetbal

Bij de oprichting op 16 augustus 1883 is de van oorsprong Dordrechtsche Cricket & Football Club de op vier na oudste voetbal vereniging van het land. Er wordt gespeeld één der oudste sportterreinen van ons land aan de Markettenweg. Wellicht met de gedachte dat ‘een gezond lichaam in een gezonde geest hoort’ kreeg ‘samen bewegen in sport of spel’ in Nederland een enorme vlucht. Vooral voetbal overgekomen uit Engeland werd populair. In 1899 werd cricket overvleugeld en vanaf dat jaar noemden de leden hun club de Dordrechtsche Football-Club DFC. 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Cgzv4WbUUAAbTE2.jpg

D.F.C. heeft in de voetbal geschiedenis een vooraanstaande rol gespeeld. Allereerst in de amateurtijd daar was het Dordtse rood-en-wit goed vertegenwoordigd. In vier KNVB-bekerfinales, streden zij tot aan de finale om de Holdert-bokaal. Op 31 mei 1914 om 14:20 werd er afgetrapt in het Amsterdam Stadion en veroverde DFC de trofee door Haarlem met 3-2 te verslaan. Na de eerste wereldoorlog in juli 1932 werd de beker opnieuw gewonnen door een 5-4 overwinning in de finale op PSV. Op 29 februari 1948 speelde DFC tegen Feyenoord voor 13.000 bezoekers zijn laatste wedstrijd op het sportveld aan de Markettenweg, het werd een 4-1 zege. Het terrein, goed voor twee interlands van Oranje tegen Belgié, werd ingeruild voor het stadion aan de Krommedijk.

Oranje klanten.

D.F.C. was vooral aan het begin van de 20e eeuw hofleverancier van spelers voor het Nederlands Elftal. Enkele voorbeelden daarvan zijn Reinier Beeuwkes, die tussen 1905 en 1910 19 maal onder de lat stond, en Dirk Lotsij (achterneef van Karel Lotsy), die tussen 1905 en 1914 10 maal de kleuren van Oranje verdedigde. Toentertijd speelde het Nederlands Elftal regelmatig tegen de Rode Duivels op het terrein van D.F.C. aan de Markettenweg te Dordrecht. Clubicoon Kees Mijnders kwam in de jaren 30 zeven keer uit voor Oranje. Na de invoering van het betaald voetbal kwam ook Jan Klijnjan nog elf keer uit voor het belangrijkste vertegenwoordigde voetbalteam van Nederland, 5 keer als D.F.C.’er en zes keer als Spartaan.

Dordrecht: een voetbalbastion.

In het seizoen 1954/55 start de KNVB een betaalde competitie. Dordrecht schuift aan en is met drie clubs aanwezig, Emma, EBOH en DFC. Dordrecht was een waar voetbalbolwerk. Met een grote onderlinge concurrentie van deze drie clubs. Te groot dat werd later wel duidelijk.

Afbeeldingsresultaat voor dfc 1960
Boven: Bertus Los, Joop Sindorf, Cees v d Bosch, Piet Punt, Harry Hentelaar, Joop v Linstee en Arie Schoon. Onder: Leo v Bruggen, Jan de Jager, Freek Bellard, Hennie Hollink en Bernard v Boxel.
DFC selectie seizoen 1959-1960

In 1960 was DFC tot twee keer toe dichtbij promotie naar de eredivisie, maar twee jaar later degradeerde het naar de tweede divisie. Vier seizoenen later (in 1966) volgde pas de terugkeer. Drie keer is scheepsrecht en via een 1-0 zege bij Baronie promoveerde DFC vanuit de tweede divisie B. Een grote rol zoals bij de amateurs heeft DFC in het betaalde voetbal niet kunnen spelen.

Op 9 mei 1965 speelden de kampioenen van de Tweede Divisie een beslissingswedstrijd voor een plaats in de Eerste Divisie. DFC en Cambuur maakten er in Apeldoorn een doelpuntrijke wedstrijd van die door de Leeuwarders met 2-6 werd gewonnen. Beelden van DFC-Cambuur uit het NTS/NOS archief.

  Kees Mijnders:  de klassieke linksbuiten

De loopbaan van Kees Mijnders was zeer lang. In 1929 speelde hij als jongen van zeventien jaar al in het eerste elftal van DFC, als veertigjarige nam hij in 1952 afscheid.

De kleine, klassieke linksbuiten werd in 1934 international en zou het in 1945 nog zijn geweest wanneer vervoersproblemen geen roet in het eten hadden gegooid. In de derde week van augustus 1945 zou Oranje in Aalborg en Aarhus het interlandvoetbal met twee wedstrijden tegen Denemarken hervatten. De spelers hadden hun koffers al gepakt, toen zij te horen kregen dat bij gebrek aan een vliegtuig de reis niet doorging. ‘Iedereen vond het verschrikkelijk jammer, want na de oorlog werd enorm verlangd naar het Nederlands elftal’, aldus Mijnders decennia later.  Na de zomer van 1945 kreeg Mijnders met vormverlies te kampen. Toen Oranje op 10 maart 1946 in Luxemburg weer mocht beginnen, werd niet hij, maar Ko Bergman van Blauw Wit als linksbuiten gekozen.

Kees Mijnders kwam uit een echte voetbalfamilie. Vader Kees was afkomstig van DFC. Toen hij als werknemer van Philips naar Eindhoven vertrok, werd hij in 1914 de eerste trainer van PSV. Later ging het gezin naar Rotterdam, waar vader en zoon het bedrijf in snijmachines Mijnco runden.  Het talent van Kees junior ontwikkelde zich eerst in Rotterdam bij DJS, De Jonge Spartaan. Als eersteklas-voetballer heeft hij alleen DFC gediend. Mijnders moest bij Oranje concurreren met Joop van Nellen, maar ook om een andere reden had hij het niet gemakkelijk bij de nationale ploeg. Hij was bepaald niet op zijn mondje gevallen en die eigenschap stelden de Keuzeheren in de jaren dertig niet altijd op prijs. Rond België‘-Nederland in 1938 kreeg hij het aan de stok met bondsofficial Henk Herberts.

Mijnders stond te boek als een vrolijke jongen die nogal zwierig door het leven ging. Toen Herberts de levensgenieter kort voor de interland met een meisje op een terrasje in Antwerpen ontwaarde, volgde een ernstige reprimande. Kort daarna meldde Herberts in De Telegraaf dat Mijnders ‘alleen maar aan het passagieren’ was geweest. De speler was woedend op Herberts en schold hem de huid vol. Omdat hij weigerde zijn excuses aan te bieden, zat zijn interlandloopbaan er op.


Árpád Weisz: De vergeten trainer.

Árpád Weisz

Aan de hand van oer-DFC-ers Arie Heijstek en Ger Husen, gaan we terug in de tijd. Beide werkten aan een jubileumboek over de 125-jarige historie van DFC (1883-2008) met daarin een episode over Árpád Weisz, de vermaarde voormalige toptrainer van Inter Milaan en FC Bologna, en DFC in Dordrecht. Bij zo een omvangrijke zoektocht naar verhalen, feiten en beeldmateriaal ligt het voor de hand dat er eerst in de burelen van DFC wordt gezocht. Daar in de boekenkast van de bestuurskamer staan “met militaire precisie, kaarsrecht en rug aan rug” eerdere jubileumboeken op de plank. Maar in de editie van direct na de oorlog, “kun je bladeren wat je wilt, de naam Árpád Weisz kom je er niet meer tegen”, zagen Heijstek en Husen. De beide DFC leden waren onthutst en strijdvaardig.
Zij gingen op onderzoek uit en wisten zo “stukje bij beetje” achter het levensverhaal van Árpád Weisz te komen. Het staat uiteindelijk beschreven in het jubileumboek, met een compleet hoofdstuk over de voormalige “wondertrainer”. Mede door de inzet van beide heren werd het verleden weer zichtbaar en keerde Árpád Weisz weer terug in de geschiedenis van DFC en in het geheugen van Dordrecht.

 Árpád Weisz  was trainer van Internationale Milan en groeit uit tot een van de meest succesrijke trainers ooit in de Italiaanse serie A en dat al op zijn 34e jaar.

Gerelateerde afbeelding
Gerelateerde afbeelding

In 1930 wordt hij met Inter Milaan landskampioen en hij brengt een voetballeerboek uit, getiteld Il Giuco del Calcio. Nadat Inter in 1930 in de halve finale van de Mitropacup had verloren van Sparta Prag, wordt Weisz vervangen en treed in dienst bij promovendus Bari. Opnieuw haalt Inter de jonge Árpád Weisz terug en bereikt de finale van de Mitropacup met een 1-3 verlies van Austria Wien. Met FC Bologna piekt, tovenaar Árpád en twee keer achtereen kampioen in 1938 en 1939.
 Hij is nu op het toppunt van zijn roem, maar de neergang zet zich in. In oktober 1938 verliest Árpád Weisz zijn positie bij Bologna als gevolg van de rassenwetten van de Italiaanse fascisten.

Het elftal van DFC voor de tribune op het voetbalveld aan de Markettenweg, in 1939. Árpád Weisz staat achteraan, als eerste van rechts
DFC: Markettenweg, 1939. Árpád Weisz staat achteraan, als eerste van rechts. Andere personen op de foto, zijn o.a. masseur Bart Brugman, Joop Groen, Henk Jas, Ger Schleicher, Dick Bergeijk, Piet Pluimert, Nico Zwaan en Koos van Dalen.  Foto RAD (nr. 552_800291)

Terwijl zijn opvolger Herman Felsner het team naar de volgende landstitel voert, moet Weisz Italië in januari 1939 met zijn gezin verlaten. Het gezin vertrekt naar het westen, naar Dordrecht, dat veilig lijkt voor de oprukkende jodenhaat. Árpád Weisz komt er te werken bij DFC. Er is contact met het bestuur en hij wordt trainer. DFC staat onderaan en lijkt te degraderen maar het lukt de trainer om het eerste elftal te behouden voor de 1e klasse.

Árpád Weisz met zijn zoon Robert op het DFC-terrein, in 1941
Árpád Weisz met zijn zoon Robert op het DFC-terrein, in 1941. Robert speelde in het jeugdteam, zijn vader was als gevolg van verbodsbepalingen van de Duitsers werkloos.
Foto Collectie-Heijstek

De club won in zijn laatste wedstrijd thuis, op 11 juni 1939, van UVV. “Het DFC-bestuur was heel tevreden over trainer Árpád Weisz en wilde hem ook graag behouden voor het nieuwe seizoen”.
Op 15 september 1941 is het evenwel definitief afgelopen voor Árpád Weisz. DFC krijgt het verbod opgelegd om hem nog langer te werk te stellen, een arbeidsverbod. De commissaris van politie verklaart in een brief aan het bestuur, “dat op grond van de verordening van 15 september 1941 betreffende het optreden van Joden in het openbaar, Árpád, trainer bij Uwe vereniging, niet aanwezig mag zijn op een terrein, waar een voor het publiek toegankelijke wedstrijd wordt gespeeld. Voorts raad ik U ten sterkste aan geen Jood in dienst Uwer vereniging te nemen of te houden, daar zulks onder de huidige omstandigheden voor Uwe vereniging zeer nadelige gevolgen kan hebben.”
Op zondag 12 augustus 1942 is het zover. Op deze vroege ochtend vroeg zijn de gezinsleden Weisz aan de beurt. De woning wordt verzegeld, het politierapport meldt de aanhouding bijna terloops. 

Ilona Weisz, de echtgenote van Árpád, en hun twee kinderen Robert en Klara, werden binnen acht weken routineus vergast, in Auschwitz, op 5 oktober 1942. Árpád zelf moest nog in leven blijven, om dwangarbeid te verrichten. Hij werd hiertoe op het perron van Auschwitz afgezonderd van zijn gezin. Anderhalf jaar later, op 31 januari 1944 in de ochtend, stierf ook hij, uitgeput en uitgemergeld. De doodsoorzaak een drievoudige: tuberculose, ondervoeding en een gebroken hart. Hij had zich letterlijk doodgewerkt, zoals de nazi’s dat graag zagen.
Er trad een oorverdovende stilte in – die zestig jaar zou voortduren.
Vrij kort nadat deze Hongaarse jood naar Auschwitz was gedeporteerd, verdween hij resoluut uit het geheugen van de stad.

Tot aan de presentatie van het jubileumboek “125 jaar historie van DFC”. Waarin de familie Weisz op de valreep terugkeert in woord en beeld.
In 2015 is er een initiatief voor een gedenkplaat zoals die al veel langer hangt in de stadions van Internationale en Bologna. De plaquette wordt op december 2018 in het clubhuis van DFC onthuld door de 88-jarige Joop v Helden, hij was bevriend met Robert Weisz. De zoon van Árpád.

Cees Buddingh: Dichter bij het voetbal

Onlosmakelijk verbonden met DFC is dichter Cees Buddingh. Noem de naam DFC en in den lande noemt men de naam Kees Buddingh’.
Al vanaf zijn vierde jaar zat Kees Buddingh’ (1918-1985) op de tribune van de Dordtse voetbalclub DFC. ‘Wanneer ik aan mijn jeugd denk, denk ik aan voetballen,’ zou hij later schrijven en “Het belangrijkste om niet weg te gaan uit Dordrecht is DFC. Van zijn 15de tot zijn 23ste voetbalde hij zelf heel verdienstelijk in DFC. Kees speelde samen met o.a. Kees Mijnders en Piet Punt in het eerste. In 1938 toen de club om de Zilveren Bal speelde tegen Sparta stond Kees reserve en liep langs de lijn te vlaggen als grensrechter, iets wat nu ont denkbaar is. ‘Alleen tuberculose kon hem beletten de eerste Johan Cruijff te worden’, schreef NRC Handelsblad heel veel jaren later. Kees is voor T.B.C. opgenomen geweest in het Sanatorium-Zonnestraal te Hilversum. Nadat hij noodgedwongen was gestopt met actief voetballen zat hij vrijwel iedere zondag op de tribune bij DFC.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is 07179-1.jpg

in 1960 werd hij redactiesecretaris van het DFC Clubnieuws en onder het pseudoniem de Optimist. Al schrijvende noemde hij de club in zijn verhalen, gedichten en dagboeknotities en maakte iedere maand verslagen van wedstrijden. Dit DFC clubnieuws was op zichzelf heel bijzonder want het verscheen sinds 1897 en is daarmee de oudste van Nederland. Helaas is er recent een einde gekomen aan deze indrukwekkende reeks. Na 117 jaar is er om financiële reden geen uitgave meer mogelijk.

Uit tijdschrift Barbarber:  Zo zijn onze manieren. “Op DFC-reünies hoor je altijd veel sterke verhalen maar zelden zó sterk en frappant als dit jaar van Leo van bruggen. Hij zat op het gymnasium toen zijn leraar Nederlands over moderne poëzie kwam te praten en een aantal namen noemde waaronder ook de naam ‘Buddingh’.                                                                                       ’‘Buddingh’’, zei Leo, ‘die ken ik wel: die zit altijd elke zondag bij ons op DFC.’. Waarop de leraar sprak: ‘jongen, ga jij de klas maar uit!’ 

Uit Dagboeknotities 1977-1985, …………..en nu, vanmiddag, tussen de negen- en tienduizend! 
En je kan er ook nog op de tribune zitten zonder je voor je medemensen te schamen. Wel enorme geestdrift, maar goddank nog geen hysterie.
Toen iemand ‘Trap hem voor zijn kloten!’ uitkrijste, nadat een VVV-speler even tevoren een inderdaad vrij pittige overtreding had begaan, werd hij van vier, vijf kanten bestraffend toegesproken. En zo hoort het ook.
Natuurlijk moet je hem wel voor zijn kloten trappen. 
Maar dat dien je aan de spelers over te laten.

1 × 1 = 1  Ik heb nooit hard gelopen om dichters te ontmoeten maar mij wel vaak buiten adem gefietst om op tijd bij een voetbalwedstrijd te zijn. Het moet, in de poëzie niet van één kant komen

Net zo links als Willem v Hanegem , het voetballeven van C. Buddingh.

Schrijver C. Buddingh wordt wel gezien als de meest populaire sportdichter in de Nederlandse literatuur. Men noemde hem ooit ‘de nestor van de moderne dichters over sport’. Maar niet alleen voor zijn poëzie was voetbal een onderwerp, ook in een aantal van de andere literaire genres die hij beoefende, waaronder verhalen, essays, columns en dagboeknotities, keerde het voetbal met grote regelmaat terug, zowel de volkssport in het algemeen, als ook zijn eigen belevenissen op de velden. Ook in een enkel aforisme wist hij sport en literatuur tot elkaar te brengen: ‘Zoals de goede voetballer degene is die de bal het werk laat doen, zo is de goede dichter degene die de woorden het werk laat doen’.

Ouwe Schoen, ouwe schoen. weet je nog van toen toen er nog geen voetbal was. toen was er niks te doen.

Jan Klijnjan:  “Daar komt dat schot”.

Middenvelder Johannes ‘Jan’ TeuniKlijnjan begon zijn loopbaan in 1963 bij DFC. Vanuit de eigen kweek breekt hij als 16-jarige door in het eerste. In de uitwedstrijd bij Wilhelmina maakte bij zijn debuut drie doelpunten. Hij is een tweebenige spel- en doelpuntenmaker . In het seizoen wordt hij uitgenodigd voor het Nederlands jeugdelftal.

Afbeeldingsresultaat voor jan klijnjan
DFC 1963 Boven: Hans de Vos, Jan v Sluysdam, Piet Punt, Cees v d Bosch, Piet de Bree, Joop Sindorf, Fons v Rosmalen. Onder: Jan Bens, Joop v Dijk, Johan Klijnjan, Freek Bellaard, Wim de Kreek en Levi Mozes

Jan Klijnjan, gevreesd om zijn verwoestende afstandsschoten, kreeg al snel de bijnaam Het Kanon. Als een van de zeldzame niet-eredivisiespelers, DFC speelde 1e divisie, haalt hij het Nederlands elftal. Hij zal daarvoor tussen 1967 en 1973, elf keer uitkomen en twee keer scoren.

Hij speelt diverse keren o.a. met Johan Cruyff. Zo robuust en dynamisch zijn spel is, zo onomwonden waren zijn uitspraken. Over Johan: ” Ik had geen klik met Cruijff, die speelde alle ballen op Piet Keizer. Soms kreeg ik maar tien ballen per wedstrijd. Hij was wel een kapitein maar één zonder overleg”.
De DFC’er met de explosieve benen zoekt het inmiddels hogerop. Hij wil in de top spelen van de Eredivisie.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is 1963-jonge-Oranje-1024x672.jpg
Het Nederlands Jeugdelftal – Wales 11-2 . Gehurkt tweede van links Eddy Koens, rechts Lambert Verdonk (PSV) 2e van rechts Jan Klijnjan (DFC) 3e van rechts Piet Giessen (PSV) Doelman is Boomgaard. Op 6 maart 1963

Trainer Piet de Visser ziet hem graag naar Feyenoord gaan, maar het wordt Sparta, waar Wiel Coerver hem in de zomer van 1968 enthousiast welkom heet.  Bij de Kasteelclub beleeft Klijnjan vijf uitstekende jaren in kleurrijke elftallen met o.a. Jan van Beveren (al gauw zijn maatje),Nol Heijerman, Hans Eijkenbroek, Jorgen Kristensen, Janusz Kowalik, Charly Bosveld, Pim Doesburg en Hans Venneker.

Persoonlijk hoogtepunt is wellicht de dubbele KNVB-bekerfinale tegen Ajax in mei 1971. Met name in de eerste uitputtingslag in de afgeladen Kuip schittert Klijnjan op de toppen van zijn kunnen en laat hij zijn directe bewaker Johan Neeskens geregeld zijn hielen zien.  

Sparta’s nummer 10 is voor de vermaarde Ferenc Puskas, die als analist van Panathinaikos mede-Europa Cupfinalist Ajax is komen bekijken, de man van de wedstrijd. Letterlijk zegt deze ster voetballer van Hongarije en Real Madrid: ,,Ik heb genoten van Piet Keizer, Nico Rijnders en Johan Cruijff. Maar de beste van allemaal was Jan Klijnjan van Sparta.” 
Jan voetbalt na Sparta drieënhalf jaar bij FC Sochaux, wordt zeer gewaardeerd en maakt vrienden voor het leven. ,,Elk jaar is daar een grote reünie, waar ik altijd moest zijn. Ik heb er niet een gemist, totdat ik in 2013 vanwege mijn heup echt niet kon komen,” aldus ‘Petit Jean. Hij keert na ‘Frankrijk’ terug naar Dordrecht om bij DFC nog twee seizoenen te gaan afbouwen daar waar zijn fraaie voetballoopbaan ooit begon, aan de Krommedijk. 

In 1972 splitsen de amateurs zich van de profsectie. De stichting FC Dordrecht is geboren.