DFC

1883. Oprichting van de ‘Good Old’.

Bij de oprichting op 16 augustus 1883 is de van oorsprong Dordrechtsche Cricket & Football Club de op zes na oudste voetbal vereniging van het land. Er wordt gespeeld op één der oudste sportterreinen van ons land aan de Markettenweg. Typerend aan het stadion is het torentje met de clubvlag op de hoofdtribune. 

Wellicht met de gedachte dat ‘een gezond lichaam in een gezonde geest hoort’ kreeg ‘samen bewegen in sport of spel’ in Nederland een enorme vlucht. Vooral voetbal overgekomen uit Engeland werd populair. In 1899 werd cricket overvleugeld en vanaf dat jaar noemden de leden hun club de Dordrechtsche Football-Club DFC. 

1901. Kwartfinale Holdert Beker. D.F.C. – Rap Amsterdam 1- 3. na verlenging. HVV veld op Sportpark De Diepput te den Haag.

1905: D.F.C speelt in de Nederland een vooraanstaande rol.

In het eerste jaar bij de NVB – de voorloper van de KNVB- speelt DFC direct een prominente rol. De club was in 1904 gepromoveerd uit de 2e klasse en draait mee om het kampioenschap van de 1e klasse West, seizoen 1904/1905. De strijd lijkt zelfs uit te draaien op een sensatie want DFC staat de hele competitie aan kop maar ziet het uiteindelijk toch fout gaan. Winst op de laatste speeldag tegen Sparta is voldoende, maar de Dordtenaren blijven steken op 1-1. Daardoor pakt het al uitgespeelde HVV op doelgemiddelde toch weer de titel. HVV voegt daar in een nacompetitie ook nog maar weer een landstitel aan toe.

Een impressie van het voetbalveld waar men rond 1900 op moest spelen. Lauwerkrans wedstrijden in de maand september 1901 op het DFC terrein aan de Markettenweg.

1905: Drie DFC spelers in het Nederlands elftal.

In 1905 leverde DFC direct drie internationals bij de eerste echte interland van het Nederlands Elftal tegen België. Reinier Beeuwkes was de allereerste keeper van het Nederlands voetbalelftal. Hij speelde zijn eerste interland op 30 april 1905, tegen België in Antwerpen. Deze wedstrijd, die met 4-1 werd gewonnen, was de eerste officiële interland van het Nederlands elftal. Zijn laatste wedstrijd voor Nederland was ruim vijf jaar later, op 16 oktober 1910. In totaal kwam Beeuwkes 19 maal uit voor het Nederlands elftal. 

30 april 1905. Achterste rij: trainer Kees van Hasselt, Bok de Korver, Guus Lutjens, de Belgische official Paul Havenith, Ben Stom, Dolf Kessler, Peet Stol, Eddy de Neve en grensrechter Bep Willing. Voorste rij: Reinier Beeuwkes, Karel Gleenewinkel Kamperdijk, Rein Boomsma, Dirk Lotsy en Willy de Vos.

Dirk Lotsy was zesmaal aanvoerder van de nationale ploeg en scoorde in 1914, tegen Duitsland, zijn enige interlandgoal. Lotsy was middenvelder bij DFC. Willy de Vos debuteerde op 30 maart 1905 voor Nederland in een wedstrijd om de Coupe Van den Abeele tegen België (4-1 winst), wat de eerste officiële A-interland van het Nederlands elftal was. Hij speelde in mei 1905 zijn tweede en tevens laatste interland, wederom tegen België. 

1912: Tweede kans op een landstitel.

Zo dicht bij een titel, als in 1905, zou het pas weer in het seizoen 1911/1912 worden. Het is uiteindelijk Sparta die zijn titel prolongeert in de westelijke 1e klasse en ook de landstitel. De Rotterdammers maken het echter wel een stuk spannender dan noodzakelijk. Concurrent DFC is al uitgespeeld als Sparta nog drie wedstrijden op het programma heeft staan. Daarin moet nog één schamel puntje verzameld worden. Na nederlagen tegen VOC en Quick is het ineens een stuk minder zeker en ook in de laatste wedstrijd komt Sparta op achterstand tegen Ajax. Pas vijf minuten voor tijd bezorgt Bok de Korver Sparta de luid bejubelde gelijkmaker.

Seizoen 1912/1913 DFC Landskampioen.: trainer Billy Hunter, secretaris Tonny Staal, Arie Bijvoet, Geert van Tricht, Dirk Lotsy, Piet Bouman, Ferry Triebel, Barend van Hemert, Flip Koopman, Aat Kleijn, Nico Bouvy, Dolf Bouvy, Chris Sunderman en voorzitter Henri Vriesendorp op de grond Daaf Vriesendorp

1913: Derde kans op de landstitel en op de Nationale beker.

In het seizoen 1912/1913 is het voor het derde seizoen op rij dat DFC tot het laatst in de top meedraait maar is het weer Sparta dat voor de vierde keer in vijf jaar de beste club van het westen én van Nederland wordt. Na een spannende tweestrijd met DFC waarbij aanvankelijk ook HFC Haarlem in het spoor blijft, maar de rood-broeken haken een wedstrijd of vijf voor het einde af. Uiteindelijk verzekert Sparta zich na een 2-0 zege op datzelfde Haarlem van de titel.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Cgzv4WbUUAAbTE2.jpg
De Holdertbeker ook wel ‘de Dennenappel’ genoemd is de voorloper van de KNVB beker.

Ook in het Nationale bekertoernooi laat DFC zien te horen tot de absolute top. In het seizoen 1912/1913 rolt de Dordtse de ene na de andere tegenstander op. Het deelnemers veld om de Holdertbeker is echter niet zo sterk als in de reguliere competitie omdat vele vooraanstaande clubs (nog) niet het belang inzien. DFC speelt de bekerfinale tegen HFC uit Haarlem op het Ajax terrein in Amsterdam. De voorbereiding van DFC was, hoe vreemd, ondermaats. Het is 25 mei 1913 schitterend, maar ook erg warm weer. Zo warm zelfs, dat de Telegraaf schrijft ‘dat het jammer is dat juist op zoo’n abnormaale dag, waarop zelfs het kijken naar voetbal te vermoeiend is, een belangrijke wedstrijd als de bekerfinale gespeeld moet worden’. Het warme weer is vooral slecht nieuws voor de spelers van DFC, die al enige tijd niet meer hebben getraind en zich in de tussentijd ook nog prima vermaakt hebben op de Dordtse kermis. Sommige spelers hebben in geen weken een bal gezien en de animo om eind mei nog een belangrijke wedstrijd te spelen, is klein. Het is dan ook niet verrassend dat DFC in de finale ten onder gaat tegen HFC.

1913: Harde kritiek op lusteloos DFC.

De spelers van HFC zijn, dankzij een toernooi in Gent en een oefenwedstrijd tegen Robur et Velocitas, juist wel in een uitstekende conditie en staan te trappelen om de Holdertbeker te veroveren. Ze gaan dan ook geestdriftig van start, maar dankzij stevig spel weet DFC de boel tot de rust achterin dicht te houden. Na de onderbreking zitten de DFC’ers er echter doorheen en kan HFC profiteren van de betere conditie van de selectie.

De voorhoede van HFC snijdt regelmatig door de Dordtse verdediging en met name aanvaller Haan profiteert: hij scoort maar liefst drie keer, tot vreugde van het aanvankelijke matte, maar steeds enthousiaster wordende publiek. DFC weet nog wel de eer te redden met een tegentreffer, waardoor de wedstrijd eindigt in een 4-1 overwinning voor HFC. De media oordelen dat ‘het geheele H.F.C. elftal hulde toekomt voor het keurige spel onder abnormale omstandigheden’. Het oordeel over DFC is daarentegen minder positief: ‘DFC heeft in de finale een vrij slecht figuur geslagen.’ Voor het tweede jaar op rij gaat de beker met 1-4 naar deze Haarlemse club. Zij zouden later de Koninklijke HFC genoemd worden. Opnieuw net geen hoofdprijs voor DFC.

1914: DFC neemt revanche op alle kritiek.

Doelman: Barend van Hemert.

Eindelijk lijkt het bekervoetbal in Nederland in het seizoen 1913/1914 enige vaste voet aan de grond te krijgen. De beslissing om de eersteklassers later te laten instromen lijkt na een paar jaar het beoogde effect te bereiken. Dit seizoen schrijven 19 eersteklassers zich in en dat is meer dan ooit tevoren. Wel zijn er in de eerste ronde nog veel deelnemende clubs die zich terug trekken, zeker als er een verre uitwedstrijd uit de loting tevoorschijn is gekomen. De finale is er bovendien één van allure. Als op 31 mei 1914 DFC en Haarlem het tegen elkaar opnemen in de strijd om de Nederlandsche Voetbalbeker, reizen zo’n zevenduizend toeschouwers af naar Het Amsterdamsche Stadion.

Ze krijgen waar voor hun geld: een spannende en leuke wedstrijd volgt tussen de twee eersteklassers. Dat is het meest te danken aan Haarlem, zo schijft het Algemeen Handelsblad. “De vlugge, schitterend combineerende Haarlemsche voorhoede bracht ons steeds weer in extase door hun kunnen in het veld.” Een kritiekpuntje heeft de krant overigens ook wel. Want voor het doel raakten de rood-broeken de rust kwijt en schoten in den blinde.

1916/1917. DFC namen onbekend.

Een belangrijke rol in verdedigend opzicht is er weggelegd voor doelman Barend van Hemert van DFC. “Als hij zijn forsche lichaam in den strijd gooide, vervaarlijk en toch fair, dan ging zelfs de snelste meest doortastende Haarlem-speler maar op zij, omdat tegen dien kerel toch niets te beginnen was.” In de loop van het duel wordt DFC steeds sterker, onder aanvoering van Lotsy. De Dordtsche aanvoerder neemt zijn ploeg bij de hand en nu wordt ook het doel van Haarlem van tijd tot tijd onder vuur genomen. Het resulteert in de 1-0 van Chris Sunderman, die al snel teniet wordt gedaan door de gelijkmaker van Haarlemse kant.

Als in de tweede helft DFC een 3-1 voorsprong neemt, zet Haarlem alles op alles om zich terug te knokken in het duel. Dat lukt deels, maar mede dankzij de voortreffelijk keepende DFC-goalie Van Hemert blijft het bij één treffer; 3-2. Vlak voor tijd krijgt Haarlem vanaf elf meter dé mogelijkheid om er een verlenging uit te slepen, maar Van Hemert keert de strafschop. DFC wint de beker, met dank aan Barend van Hemert. Met 3-2 winst gaat de beker voor het eerst in de historie naar Dordrecht. Het scoreverloop: 1-0 Sunderman, 1-1 Houtkoper, 2-1 De Wijs, 3-1 Jaap Bouman, 3-2 Schravendijk. De eerste hoofdprijs voor DFC is een feit. De bedenker en naamgever van het nationale bekertoernooi, Hak Holdert, kan na afloop van het toernooi eindelijk eens echt tevreden zijn.

11-11-1923 DFC: trainer Bob Glendenning

1932: Bekerfinale DFC- PSV

Na de eerste wereldoorlog in juli 1932 werd de beker opnieuw gewonnen door een 5-4 overwinning in de finale op PSV. Het is een waar spektakelstuk, deze bekerfinale. Op 3 juli staan DFC en PSV tegenover elkaar in Tilburg, waar de finale van de 28e editie van het bekertoernooi wordt afgewerkt.

Willem II Tilburg is gastheer voor de bekerfinale van 1932. DFC – PSV 5-4..

De drieduizend meegereisde supporters krijgen maar liefst negen doelpunten te zien. PSV begint furieus en dat resulteert dan ook in een vroege voorsprong. PSV-aanvaller Visser neemt het doel van DFC-goalie Jas onder vuur en constateert tevreden dat de bal via de binnenkant van de paal binnen slaat.

1932. DFC: Van Twist, De Korver, Litz, Mookhoek, Van Dam, Punt, De Smit, Dragt, Ruisch, Mijnders, Waalwijk van Doorn Zwijsen en verzorger Brugman.

In het vervolg van de eerste helft blijft PSV de bovenliggende partij, maar is het DFC dat scoort. Een eerste treffer van Punt wordt nog door de scheidsrechter geannuleerd wegens vermeend hands, maar de gelijkmaker verschijnt alsnog op het bord wanneer De Smit PSV-keeper Boumans weet te passeren. PSV gaat evenwel met een voorsprong rusten. Vlak voor de pauze soleert Visser langs een aantal Dordtenaren en schuift hij de bal langs Jas; 2-1. Na de rust komt DFC al vlug wederom langszij. De Smit knikt een corner tegen de touwen. Manmoedig gaan de Eindhovenaren op zoek naar een nieuwe voorsprong en die komt er. “P.S.V. zet nu de tanden op elkaar en werkt hard, zoodat de D.F.C.-verdediging alle zeilen moet bijzetten. Wanneer bij een hoekschop Visser goed voorzet schiet v.d. Broek keihard in”, schrijft Sportkroniek.

1934. DFC eerste competitiewedstrijd tegen ZFC: masseur Brugman, Berkhuijzen, Mookhoek, Wim de Smit, Digt, Kasteel, Litz, 2x onbekend, Punt, Mijnders, Eef Ruisch en grensrechter Martin Stolk.

Het wordt even later zelfs 2-4 wanneer Paulissen een vrije trap via doelman Jas over de lijn ziet verdwijnen. DFC weigert zich gewonnen te geven en knokt zich terug. Via treffers van Punt en weer De Smit wordt een verlenging afgedwongen; 4-4. In die verlenging slaat DFC toe. Voor het eerst komen de Dordtenaren op voorsprong en het is direct een beslissende. Ruisch schiet prachtig raak en zorgt ervoor dat DFC de beker wint. DFC – PSV 5-4 n.v. (1-2). Visser 0-1, De Smit 1-1, Visser 1-2, De Smit 2-2, Van de Broek 2-3, Paulissen 2-4, Punt 3-4, De Smit 4-4, Ruisch 5-4.

1943: Bekerfinale Ajax-DFC

In 1943 doorloopt Ajax met speels gemak de rondes tot de finale van de NVB Beker. DWV (5-0), VVA (13-1), ADO’20 (5-1), Hollandia (1-10), HSC (2-0) en Wageningen (8-0) hebben niets in melk te brokkelen tegen de Amsterdammers. In de eindstrijd is DFC de tegenstander in het Olympisch Stadion. Voor het eerst wordt Ajax serieus op de proef gesteld. In eerste instantie lijkt het daar niet op. Al na drie minuten komen de Amsterdammers op voorsprong. Schleicher bokst namens DFC de bal uit het doel na een poging van Brockman. Hierdoor kan Joop Stoffelen vanaf elf meter de 1-0 op het scorebord zetten. Na 23 minuten maakt Gerrit Fischer ook de 2-0. Vanaf dat moment zet DFC alles op alles om de achterstand ongedaan te maken en wankelt Ajax. Kort voor rust brengt Kees Mijnders met zijn treffer de spanning terug. In de tweede helft gaat DFC op jacht naar de gelijkmaker, maar valt de treffer aan de andere kant via Gé van Dijk. Uiteindelijk doet ‘In ‘t Veld nog iets terug voor de ploeg uit Dordrecht: 3-2. Ajax geeft de controle echter niet meer uit handen en sleept verdiend de overwinning over de streep.  

1943 DFC. Boven: Piet Kasteel, Cees in ’t Veld, Cor van Velzen, Dick Bergeijk, Dik Konings, Joop Groen en Wim Dubois (trainer). Onder: Cees Mijnders, Piet Punt Sr., Geert Schleicher, Jan Liefaard, Bep Groen en Kees in ’t Veld.

Doelman Gerrit Keizer neemt na afloop namens Ajax de NVB Beker in ontvangst. Dit doet hij niet voordat hij zijn pet heeft afgezet en een net jasje over zijn shirt heeft gedaan. Het is de tweede keer dat de Amsterdammers de ‘voetbalbeker’ in bezit hebben. Ajax – DFC 3-2 (2-1).  3. Stoffelen (pen) 1-0, 23. Fischer 2-0, Mijnders 2-1, Van Dijk 3-1, In ’t Veld 3-2.

1948: Afscheid van het veld aan de Markettenweg

Op 29 februari wordt de laatste wedstrijd onder grote belangstelling van ruim 13.000 toeschouwers tegen Feyenoord gespeeld. De Rotterdammers worden met 4-1 verslagen. Na afloop worden de tribunes afgebroken (nu eens niet door het publiek), de grasmat uitgestoken en opgerold, want alles gaat mee naar de nieuwe locatie aan de Krommedijk. Op 14 augustus wordt dit terrein officieel in gebruik genomen. Een lange stoet belangstellenden marcheert die dag achter het vaandel van DFC van het oude naar het nieuwe veld. Na vele toespraken volgt er een duel tegen een elftal uit Pilzen (Tsjechië). Een stukje klei met hier en daar een dor sprietje gras van de Markettenweg wordt ter herinnering in een doosje gestopt en in het regionaalarchiefdordrecht opgeborgen.

1959. Clubhuis/tribune van DFC aan de Reeweg Oost.

Clubicoon: Kees Mijnders de klassieke linksbuiten

Kees Mijnders geboren op 28 september 1912 te Eindhoven had een lange loopbaan. In 1929 speelde hij als jongen van zeventien jaar al in het eerste elftal van DFC als veertigjarige nam hij in 1952 na een onafgebroken periode afscheid van zijn club.

Voetballegends | Kees Mijnders

De kleine, klassieke linksbuiten werd in 1934 international en zou het in 1945 nog zijn geweest wanneer vervoersproblemen geen roet in het eten hadden gegooid. In de derde week van augustus 1945 zou Oranje in Aalborg en Aarhus het interlandvoetbal met twee wedstrijden tegen Denemarken hervatten. De spelers hadden hun koffers al gepakt, toen zij te horen kregen dat bij gebrek aan een vliegtuig de reis niet doorging. ‘Iedereen vond het verschrikkelijk jammer, want na de oorlog werd enorm verlangd naar het Nederlands elftal’, aldus Mijnders decennia later.  Na de zomer van 1945 kreeg Mijnders met vormverlies te kampen. Toen Oranje op 10 maart 1946 in Luxemburg weer mocht beginnen, werd niet hij, maar Ko Bergman van Blauw Wit als linksbuiten gekozen.

Kees Mijnders

Kees Mijnders kwam uit een echte voetbalfamilie. Vader Kees was afkomstig van DFC. Toen hij als werknemer van Philips naar Eindhoven vertrok, werd hij in 1914 de eerste trainer van PSV. Later ging het gezin naar Rotterdam, waar vader en zoon het bedrijf in snijmachines Mijnco runden.  Het talent van Kees junior ontwikkelde zich eerst in Rotterdam bij DJS, De Jonge Spartaan. Als eersteklas-voetballer heeft hij alleen DFC gediend. Mijnders moest bij Oranje concurreren met Joop van Nellen, maar ook om een andere reden had hij het niet gemakkelijk bij de nationale ploeg. Hij was bepaald niet op zijn mondje gevallen en die eigenschap stelden de Keuzeheren in de jaren dertig niet altijd op prijs. Rond België -Nederland in 1938 kreeg hij het aan de stok met bondsofficial Henk Herberts.

1934. Nederlands elftal. Staand: Beb Bakhuys, Puck van Heel, Jan van Diepenbeek, Henk Pellikaan, Wim Anderiesen, Adri van Male en Sjef van Run. Geknield: Frank Wels, Leen Vente, Kick Smit en Kees Mijnders.

Mijnders stond te boek als een vrolijke jongen die nogal zwierig door het leven ging. Toen Herberts de levensgenieter kort voor de interland met een meisje op een terrasje in Antwerpen ontwaarde, volgde een ernstige reprimande. Kort daarna meldde Herberts in De Telegraaf dat Mijnders ‘alleen maar aan het passagieren’ was geweest. De speler was woedend op Herberts en schold hem de huid vol. Omdat hij weigerde zijn excuses aan te bieden, zat zijn interlandloopbaan er op. Op 1 april 2002 overleed Kees Mijnders op bijna 90 jarige leeftijd.

Twaalf Oranje klanten met 78 caps.

Reinier Beeuwkes: Record international.

D.F.C. was vooral aan het begin van de 20e eeuw hofleverancier van spelers voor het Nederlands Elftal. Enkele voorbeelden waren al genoemd Reinier Beeuwkes, 19 maal onder de lat stond, Dirk Lotsy die 10 maal de kleuren van Oranje verdedigde en Willy de Vos tweevoudig international. Het rijtje internationals loopt op tot aan de 2e wereldoorlog met in het totaal van elf debutanten. Na de invoering van het betaald voetbal kwam daar ook Jan Klijnjan nog bij met 5 keer als D.F.C.’er. Op de website voetbalstatistieken worden alle DFCers genoemd die ooit het Oranjetricot hebben gedragen.

1954: Dordrecht een voetbalbastion gaat professioneel.

In het seizoen 1954/1955 start de KNVB een betaalde competitie. Dordrecht schuift aan en is met drie clubs aanwezig, Emma, EBOH en DFC. Dordrecht was daarmee een waar voetbalbolwerk. Met een grote onderlinge concurrentie van deze drie clubs. Zo’n vooraanstaande rol als bij de amateurs heeft DFC in het betaalde voetbal niet kunnen spelen. Al was de Dordtse voetbalvereniging in 1960 tot twee keer toe dichtbij promotie naar de eredivisie. Veelal was DFC echter terug te vinden in de eerste divisie van het betaalde voetbal, met een onderbreking van vier jaar.

1958/1959. DFC. Achter: Trainer de Bruin, verzorger Groeneveld, Schaap, Klein, v.d. Linden, Moonhoek en v.d. Bergh. Midden: Joossen, v. Bruggen, Bellaard, Punt en Sindorf. Onder: de Jager, v.d. Bosch, Meeusen, de Groot en Mijbeek.

Einde seizoen 1965/1966 promoveerde DFC na een 1-0 zege bij Baronie vanuit de tweede divisie B. Eén jaar eerder periode 1964/1965 was al het kampioenschap behaald, maar promotie bleef achterwege na een beslissingswedstrijd tegen Cambuur. Op 9 mei 1965 speelden de kampioenen van de Tweede Divisie een beslissingswedstrijd voor een plaats in de Eerste Divisie. DFC en Cambuur maakten er in Apeldoorn een doelpuntrijke wedstrijd van die door de Leeuwarders met 2-6 werd gewonnen. Beelden van DFC-Cambuur uit het NTS/NOS archief.

1963. DFC op een scheepswerf. Staand: Levi Mozes, Jan Klijnjan, Joop van Dijk, Leo de Kerf, Arie Louwman, trainer Jan Bens, zittend Jan van Sluisdam, Miki Todor, Bertus Los, Hans de Vos, Joop Sindorf, Piet Punt, Wim de Kreek, Kees v.d. Bosch en Fons van Rosmalen.

Ook in de daarop volgende nacompetitie met Xerxes, Helmondia’55 en AGOVV kon DFC de promotie naar de eerste divisie niet afdwingen. Vanaf 1966/1967 was dat weer wel het geval. Vijf jaar later was het gedaan met DFC als betaald voetbalorganisatie. Na een overgangsjaar in 1973 keerde rood-en-wit terug naar de rijen der amateurs. FC Dordrecht nam de licentie over.


Árpád Weisz: De ‘niet’ vergeten trainer.

Árpád Weisz

Aan de hand van oer-DFC-ers Arie Heijstek en Ger Husen, gaan we terug in de tijd. Beide werkten aan een jubileumboek over de 125-jarige historie van DFC (1883-2008) met daarin een episode over Árpád Weisz, de vermaarde voormalige toptrainer van Inter Milaan en FC Bologna, en DFC in Dordrecht. Bij zo een omvangrijke zoektocht naar verhalen, feiten en beeldmateriaal ligt het voor de hand dat er eerst in de burelen van DFC wordt gezocht. Daar in de boekenkast van de bestuurskamer staan “met militaire precisie, kaarsrecht en rug aan rug” eerdere jubileumboeken op de plank. Maar in de editie van direct na de oorlog, “kun je bladeren wat je wilt, de naam Árpád Weisz kom je er niet meer tegen”, zagen Heijstek en Husen. De beide DFC leden waren onthutst en strijdvaardig.
Zij gingen op onderzoek uit en wisten zo “stukje bij beetje” achter het levensverhaal van Árpád Weisz te komen. Het staat uiteindelijk beschreven in het jubileumboek, met een compleet hoofdstuk over de voormalige “wondertrainer”. Mede door de inzet van beide heren werd het verleden weer zichtbaar en keerde Árpád Weisz weer terug in de geschiedenis van DFC en in het geheugen van Dordrecht.

 Árpád Weisz  was trainer van Internationale Milan en groeit uit tot een van de meest succesrijke trainers ooit in de Italiaanse serie A en dat al op zijn 34e jaar. In 1930 wordt hij met Inter Milaan landskampioen en hij brengt een voetballeerboek uit, getiteld Il Giuco del Calcio. Nadat Inter in 1930 in de halve finale van de Mitropacup had verloren van Sparta Prag, wordt Weisz vervangen en treed in dienst bij promovendus Bari. Opnieuw haalt Inter de jonge Árpád Weisz terug en bereikt de finale van de Mitropacup met een 1-3 verlies van Austria Wien. Met FC Bologna piekt, tovenaar Árpád en twee keer achtereen kampioen in 1938 en 1939.
Hij is nu op het toppunt van zijn roem, maar de neergang zet zich in. In oktober 1938 verliest Árpád Weisz zijn positie bij Bologna als gevolg van de rassenwetten van de Italiaanse fascisten.

Het elftal van DFC voor de tribune op het voetbalveld aan de Markettenweg, in 1939. Árpád Weisz staat achteraan, als eerste van rechts
DFC: Markettenweg, 1939. Árpád Weisz staat achteraan, als eerste van rechts. Andere personen op de foto, zijn o.a. masseur Bart Brugman, Joop Groen, Henk Jas, Ger Schleicher, Dick Bergeijk, Piet Pluimert, Nico Zwaan en Koos van Dalen. 

Terwijl zijn opvolger Herman Felsner het team naar de volgende landstitel voert, moet Weisz Italië in januari 1939 met zijn gezin verlaten. Het gezin vertrekt naar het westen, naar Dordrecht, dat veilig lijkt voor de oprukkende jodenhaat. Árpád Weisz komt er te werken bij DFC. Er is contact met het bestuur en hij wordt trainer. DFC staat onderaan en lijkt te degraderen maar het lukt de trainer om het eerste elftal te behouden voor de 1e klasse.

Árpád Weisz met zijn zoon Robert op het DFC-terrein, in 1941
Árpád Weisz met zijn zoon Robert op het DFC-terrein, in 1941. Robert speelde in het jeugdteam, zijn vader was als gevolg van verbodsbepalingen van de Duitsers werkloos.

“Het DFC-bestuur was heel tevreden over trainer Árpád Weisz en wilde hem ook graag behouden voor het nieuwe seizoen”.
Op 15 september 1941 is het evenwel definitief afgelopen voor Árpád Weisz. DFC krijgt arbeidsverbod opgelegd om hem nog langer te werk te stellen. De commissaris van politie verklaart in een brief aan het bestuur, “dat op grond van de verordening van 15 september 1941 betreffende het optreden van Joden in het openbaar, Árpád, trainer bij Uwe vereniging, niet aanwezig mag zijn op een terrein, waar een voor het publiek toegankelijke wedstrijd wordt gespeeld. Voorts raad ik U ten sterkste aan geen Jood in dienst Uwer vereniging te nemen of te houden, daar zulks onder de huidige omstandigheden voor Uwe vereniging zeer nadelige gevolgen kan hebben.”
Op zondag 12 augustus 1942 is het zover. Op deze vroege ochtend vroeg zijn de gezinsleden Weisz aan de beurt. De woning wordt verzegeld, het politierapport meldt de aanhouding bijna terloops. 

Ilona Weisz, de echtgenote van Árpád, en hun twee kinderen Robert en Klara, werden binnen acht weken routineus vergast, in Auschwitz, op 5 oktober 1942. Árpád zelf moest nog in leven blijven, om dwangarbeid te verrichten. Hij werd hiertoe op het perron van Auschwitz afgezonderd van zijn gezin. Anderhalf jaar later, op 31 januari 1944 in de ochtend, stierf ook hij, uitgeput en uitgemergeld. De doodsoorzaak een drievoudige: tuberculose, ondervoeding en een gebroken hart. Hij had zich letterlijk doodgewerkt, zoals de nazi’s dat graag zagen. Er trad een oorverdovende stilte in – die zestig jaar zou voortduren.
Vrij kort nadat deze Hongaarse jood naar Auschwitz was gedeporteerd, verdween hij resoluut uit het geheugen van de stad. Tot aan de presentatie van het jubileumboek “125 jaar historie van DFC”. Waarin de familie Weisz op de valreep terugkeert in woord en beeld.
In 2015 is er een initiatief voor een gedenkplaat zoals die al veel langer hangt in de stadions van Internationale en Bologna. De plaquette wordt op december 2018 in het clubhuis van DFC onthuld door de 88-jarige Joop v Helden, hij was bevriend met Robert Weisz, de zoon van Árpád. Verdere informatie: Stolpersteine Dordrecht.

Clubicoon: Cees Buddingh, dichter bij het voetbal

C. Buddingh' (1967)

Onlosmakelijk verbonden met DFC is dichter Cees Buddingh. Noem de naam DFC en in den lande noemt men de naam Kees Buddingh’.
Al vanaf zijn vierde jaar zat Kees Buddingh’ (1918-1985) op de tribune van de Dordtse voetbalclub DFC. ‘Wanneer ik aan mijn jeugd denk, denk ik aan voetballen,’ zou hij later schrijven en “Het belangrijkste om niet weg te gaan uit Dordrecht is DFC. Van zijn 15e tot zijn 23e voetbalde hij zelf heel verdienstelijk in DFC. Kees speelde samen met o.a. Kees Mijnders en Piet Punt in het eerste. In 1938 toen de club om de Zilveren Bal speelde tegen Sparta stond Kees reserve en liep langs de lijn te vlaggen als grensrechter, iets wat nu ondenkbaar is.

‘Alleen tuberculose kon hem beletten de eerste Johan Cruijff te worden’, schreef NRC Handelsblad heel veel jaren later. Kees is voor T.B.C. opgenomen geweest in het Sanatorium-Zonnestraal te Hilversum. Nadat hij noodgedwongen was gestopt met actief voetballen zat hij vrijwel iedere zondag op de tribune bij DFC. In 1960 werd hij redactiesecretaris van het DFC Clubnieuws en onder het pseudoniem de Optimist. Al schrijvende noemde hij de club in zijn verhalen, gedichten en dagboeknotities en maakte iedere maand verslagen van wedstrijden. Dit DFC clubnieuws was op zichzelf heel bijzonder want het verscheen sinds 1897 en is daarmee de oudste van Nederland. Helaas is er recent een einde gekomen aan deze indrukwekkende reeks. Na 117 jaar is er om financiële reden geen uitgave meer mogelijk.

Uit tijdschrift Barbarber:  Zo zijn onze manieren. “Op DFC-reünies hoor je altijd veel sterke verhalen maar zelden zó sterk en frappant als dit jaar van Leo van bruggen. Hij zat op het gymnasium toen zijn leraar Nederlands over moderne poëzie kwam te praten en een aantal namen noemde waaronder ook de naam ‘Buddingh’. ’‘Buddingh’’, zei Leo, ‘die ken ik wel: die zit altijd elke zondag bij ons op DFC.’. Waarop de leraar sprak: ‘jongen, ga jij de klas maar uit!’ Uit Dagboeknotities 1977-1985: …….. en nu, vanmiddag, tussen de negen- en tienduizend! En je kan er ook nog op de tribune zitten zonder je voor je medemensen te schamen. Wel enorme geestdrift, maar goddank nog geen hysterie. Toen iemand ‘Trap hem voor zijn kloten!’ uit krijste, nadat een VVV-speler even tevoren een inderdaad vrij pittige overtreding had begaan, werd hij van vier, vijf kanten bestraffend toegesproken. En zo hoort het ook. Natuurlijk moet je hem wel voor zijn kloten trappen. Maar dat dien je aan de spelers over te laten.

1 × 1 = 1: Ik heb nooit hard gelopen om dichters te ontmoeten maar mij wel vaak buiten adem gefietst om op tijd bij een voetbalwedstrijd te zijn. Het moet, in de poëzie niet van één kant komen.

Schrijver C. Buddingh wordt wel gezien als de meest populaire sportdichter in de Nederlandse literatuur. Men noemde hem ooit ‘de nestor van de moderne dichters over sport’. Ook in een enkel aforisme wist hij sport en literatuur tot elkaar te brengen: ‘Zoals de goede voetballer degene is die de bal het werk laat doen, zo is de goede dichter degene die de woorden het werk laat doen’. Ouwe Schoen, ouwe schoen, weet je nog van toen ? Toen er nog geen voetbal was. Toen was er niks te doen.

Clubicoon: Jan Klijnjan”Daar komt dat schot”.

Middenvelder Johannes ‘Jan’ TeuniKlijnjan begon zijn loopbaan in 1963 bij DFC. Vanuit de eigen kweek breekt hij als 16-jarige door. In de uitwedstrijd bij Wilhelmina maakte hij bij zijn debuut drie doelpunten. Jan is een tweebenige spel- en doelpuntenmaker en wordt direct uitgenodigd voor het Nederlands jeugdelftal.

Afbeeldingsresultaat voor jan klijnjan
1963 DFC. Boven: Hans de Vos, Jan v Sluysdam, Piet Punt, Cees v d Bosch, Piet de Bree, Joop Sindorf, Fons v Rosmalen. Onder: Jan Bens, Joop v Dijk, Johan Klijnjan, Freek Bellaard, Wim de Kreek en Levi Mozes

Jan Klijnjan, gevreesd om zijn verwoestende afstandsschoten, kreeg al snel de bijnaam het Kanon. Als een van de zeldzame niet-eredivisiespelers, DFC speelde 1e divisie, haalt hij het Nederlands elftal. Hij zal daarvoor tussen 1967 en 1973, elf keer uitkomen en twee keer scoren. Hij speelt diverse keren o.a. met Johan Cruyff. Zo robuust en dynamisch zijn spel is, zo onomwonden waren zijn uitspraken. Over Johan: ” Ik had geen klik met Cruijff, die speelde alle ballen op Piet Keizer. Soms kreeg ik maar tien ballen per wedstrijd. Hij was wel een kapitein maar één zonder overleg”. De DFC’er met de explosieve benen zoekt het inmiddels hogerop. Hij wil in de top spelen van de Eredivisie.

06-03-1963. Het Nederlands Jeugdelftal – Wales 11-2 . Gehurkt tweede van links Eddy Koens, rechts Lambert Verdonk (PSV) 2e van rechts Jan Klijnjan (DFC) 3e van rechts Piet Giessen (PSV) Doelman is Boomgaard.

Trainer Piet de Visser ziet hem graag naar Feyenoord gaan, maar het wordt Sparta, waar Wiel Coerver hem in de zomer van 1968 enthousiast welkom heet.  Bij de kasteelclub beleeft Klijnjan vijf uitstekende jaren in kleurrijke elftallen met o.a. Jan van Beveren (al gauw zijn maatje),Nol Heijerman, Hans Eijkenbroek, Jorgen Kristensen, Janusz Kowalik, Charly Bosveld, Pim Doesburg en Hans Venneker. Persoonlijk hoogtepunt is wellicht de dubbele KNVB-bekerfinale tegen Ajax in mei 1971. Met name in de eerste uitputtingslag in de afgeladen Kuip schittert Klijnjan op de toppen van zijn kunnen en laat hij zijn directe bewaker Johan Neeskens geregeld zijn hielen zien.  

Sparta’s nummer 10 is voor de vermaarde Ferenc Puskas, die als analist van Panathinaikos mede-Europa Cupfinalist Ajax is komen bekijken, de man van de wedstrijd. Letterlijk zegt deze ster voetballer van Hongarije en Real Madrid: ,,Ik heb genoten van Piet Keizer, Nico Rijnders en Johan Cruijff. Maar de beste van allemaal was Jan Klijnjan van Sparta.” 
Jan voetbalt na Sparta drieënhalf jaar bij FC Sochaux, wordt zeer gewaardeerd en maakt vrienden voor het leven. ,,Elk jaar is daar een grote reünie, waar ik altijd moest zijn. Ik heb er niet een gemist, totdat ik in 2013 vanwege mijn heup echt niet kon komen,” aldus ‘Petit Jean. Hij keert na ‘Frankrijk’ terug naar Dordrecht om bij DFC nog twee seizoenen te gaan afbouwen daar waar zijn fraaie voetballoopbaan ooit begon, aan de Krommedijk. 

In 1972 splitsen de amateurs zich van de profsectie. De stichting FC Dordrecht is geboren. In 1974 zingt de selectie het Dordts clublied.